ECLI:NL:RBDHA:2022:10041
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in verblijfsvergunningzaak
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘humanitair niet-tijdelijk’. Dit verzoek is door verweerder niet in behandeling genomen, waarna verzoeker bezwaar maakte en tevens een voorlopige voorziening vroeg om uitzetting tijdens de bezwaarprocedure te voorkomen.
Na een beslissing op bezwaar en daaropvolgend beroep heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Verweerder nam een nieuwe beslissing op bezwaar, waartegen opnieuw beroep werd ingesteld. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb.
De voorzieningenrechter overweegt dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk is als er bezwaar of beroep aanhangig is. Het eerdere verzoek wordt gelijkgesteld met een verzoek hangende het beroep. Omdat het beroep waarop het verzoek betrekking heeft niet-ontvankelijk is verklaard, wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack en openbaar gemaakt op 23 september 2022.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.