ECLI:NL:RBDHA:2022:10060
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ambtshalve uitschrijving uit de basisregistratie personen wegens vertrek naar onbekend land
Eiseres en haar minderjarige zoon stonden ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op een adres in Nederland. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, heeft hen ambtshalve uitgeschreven per 18 juni 2020 met de vermelding 'emigratie naar een onbekend land', omdat zij niet meer op het adres woonden en hun verblijfplaats onbekend was.
Eiseres betoogde dat zij in februari 2020 met haar zoon naar de Verenigde Arabische Emiraten was vertrokken voor medische behandeling en door de coronapandemie niet kon terugkeren. Zij ontkende dat zij zich blijvend in het buitenland wilde vestigen en stelde dat zij nooit was geïnformeerd over de noodzaak van vertrekaangifte. De rechtbank overwoog dat de Wet BRP vereist dat gegevens over de feitelijke verblijfplaats betrouwbaar zijn en dat ambtshalve uitschrijving alleen kan plaatsvinden als aan drie voorwaarden is voldaan: onbereikbaarheid van de ingezetene, geen aangifte van adreswijziging of vertrek, en geen achterhaalbare verblijfplaats na gedegen onderzoek.
De rechtbank concludeerde dat eiseres telefonisch bereikbaar was maar geen adres wilde opgeven, geen aangifte had gedaan en na uitgebreid onderzoek geen verblijfplaats was vastgesteld. Eiseres had haar stelling dat zij slechts tijdelijk in het buitenland verbleef niet aannemelijk gemaakt. Daarom was de ambtshalve uitschrijving terecht en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de ambtshalve uitschrijving uit de BRP per 18 juni 2020.