ECLI:NL:RBDHA:2022:10064
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing uitkering Participatiewet
Verzoekster heeft een uitkering op grond van de Participatiewet aangevraagd, welke door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is afgewezen. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang, zoals acute financiële nood met dreiging van huisuitzetting, afsluiting van energie of verlies van ziektekostenverzekering. Verzoekster verblijft bij haar werkende ouders en er is geen sprake van dergelijke dreigingen. Ook de duur van de bezwaarprocedure vormt geen reden voor spoedeisendheid.
Daarnaast is onderzocht of het besluit evident onrechtmatig is. Gezien het verblijf van verzoekster in Polen gedurende de relevante periode is onvoldoende grond om aan te nemen dat zij aanspraak had op bijstand.
De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen omdat geen spoedeisend belang bestaat en het besluit niet evident onrechtmatig is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.