ECLI:NL:CRVB:2021:3277
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijstand naar norm alleenstaande
Verzoeker, gehuwd sinds 2005, woont sinds 2017 gescheiden van zijn gezin in Servië en heeft bijstand aangevraagd volgens de norm voor een alleenstaande. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende hem bijstand toe volgens de norm voor een gehuwde met niet-rechthebbende partner, zijnde 50% van de gehuwdennorm. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen dit besluit ongegrond.
Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening waarbij hij gedurende de beroepsprocedure bijstand zou ontvangen volgens de alleenstaandennorm. Hij voerde financiële nood aan, onderbouwd met bankafschriften, een verklaring van een kennis en een betalingsregeling voor huur. Tevens stelde hij gezondheidsklachten te hebben die werk onmogelijk maken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een verzoek om voorlopige voorziening een actueel spoedeisend belang vereist. Uit de stukken bleek dat verzoeker bijstand ontvangt en een positief banksaldo heeft. Er was geen bewijs van acute schulden of dreiging van huisuitzetting. De betalingsachterstand was volgens de regeling ingelopen. De gezondheidsklachten waren onvoldoende onderbouwd. Daarom ontbrak het aan een spoedeisend belang en werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande wordt afgewezen wegens ontbreken van een actueel spoedeisend belang.