Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2022 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
Procesverloop
€ 10.998,14 aan teveel aan eiseres uitgekeerde toeslag teruggevorderd.
Rechtbank Den Haag
Eiseres ontving sinds 2013 een toeslag op grond van de Toeslagenwet ter aanvulling van haar WIA-uitkering tot het sociaal minimum voor een eenoudergezin. Vanaf 29 juni 2017 is haar leefsituatie gewijzigd doordat zij ging samenwonen met haar partner op hetzelfde adres. Het UWV constateerde dit in juni 2020 en herzag de toeslag met terugwerkende kracht tot die datum, waarna zij een bedrag van €10.998,14 terugvorderde.
Eiseres voerde aan dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk was dat zij te veel toeslag ontving en beriep zich op dringende redenen en het evenredigheidsbeginsel om terugvordering te voorkomen. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht heeft gehandeld op grond van artikel 11a van de Toeslagenwet en de beleidsregels, omdat eiseres redelijkerwijs had kunnen weten dat de toeslag onjuist was vastgesteld. Telefonisch contact met het UWV bood geen grond voor vertrouwen op een afwijkende situatie.
De rechtbank vond geen dringende redenen aanwezig die onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen zouden opleveren. De psychologische brief volstond niet om een toename van klachten aannemelijk te maken. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat de terugvordering een dwingendrechtelijke bepaling betreft en de wetgever in de wet zelf al mogelijkheden tot beperking van terugvordering heeft opgenomen.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de herziening en terugvordering blijven gehandhaafd en eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de herziening en terugvordering van toeslag wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft gehandhaafd.