ECLI:NL:RBDHA:2022:10608
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor deurwaarderskosten vanwege voorliggende voorziening
Eiser vroeg bijzondere bijstand aan voor deurwaarderskosten, maar het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees dit af omdat deze kosten niet onder bijzondere bijstand vallen. Het college stelde dat de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) een passende en toereikende voorliggende voorziening is voor deze kosten.
Eiser voerde aan dat het begrip bijzondere kosten onjuist werd uitgelegd en dat de toevoeging bepalend is voor vergoeding, ongeacht of de kosten onder de Wrb vallen. Het college betoogde dat deurwaarderskosten die verbonden zijn aan een gerechtelijke procedure onder de toevoeging vallen en dat buitenlandse kosten door het Landelijk Dienstencentrum worden vergoed.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht de bijzondere bijstand heeft afgewezen op grond van artikel 15 van Pro de Participatiewet, omdat de Wrb een voorliggende voorziening is. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat deze voorziening niet passend of toereikend is. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor deurwaarderskosten wordt ongegrond verklaard.