ECLI:NL:CRVB:2022:1238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand wegens passende voorliggende voorziening en ontbreken zeer dringende redenen
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van rechtsbijstand om een procedure tegen de Staat te starten wegens onrechtmatige daad, smaad en valsheid in geschrifte. Het college wees deze aanvraag af omdat de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) een passende en toereikende voorliggende voorziening is en er geen sprake was van zeer dringende redenen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna het college een nieuw besluit nam dat opnieuw afwees. In hoger beroep betoogde appellant dat de Wrb in zijn situatie niet passend was en dat er zeer dringende redenen bestonden vanwege psychische schade door het niet mogen zien van zijn dochter.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de Wrb geen passende voorziening was, noch dat hij een acute noodsituatie had die bijzondere bijstand rechtvaardigde. Zijn stelling dat hij geen advocaat kon vinden die op toevoegingsbasis wilde procederen, was onvoldoende onderbouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand voor rechtsbijstand wordt ongegrond verklaard.