Eiser ontving een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Na een ingebrekestelling wegens niet tijdig beslissen op zijn bezwaar, wees verweerder het bezwaar af en kende een proceskostenvergoeding toe. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat de gehanteerde wegingsfactor van 0,5 voor de proceskostenvergoeding terecht was, maar dat verweerder een onjuiste waarde per punt had gebruikt. De juiste waarde per punt was €534,- in plaats van €530,-, waardoor de vergoeding aan eiser moest worden verhoogd naar €267,-.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van de volledige proceskosten van €1.518,- en terugbetaling van het betaalde griffierecht van €49,-. Het beroep werd gegrond verklaard en het besluit van 18 mei 2021 vernietigd, waarbij de rechtbank zelf in de zaak voorzag.