Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
en [verzoekster](verzoekster), verzoekers mede namens hun minderjarige kind
Rechtbank Den Haag
Verzoekers, van Iraanse nationaliteit, hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van 10 december 2021 waarbij hun opvolgende aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is aan hen een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 25 januari 2022, waarbij verzoekers en hun gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de verweerder. Na afweging oordeelt de voorzieningenrechter dat een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is vanwege de reeds geplaatste uitspraak in de hoofdzaak onder zaaknummers NL21.19592 en NL21.19594.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan op 11 februari 2022 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.