ECLI:NL:RBDHA:2022:10905
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier op grond van humanitair privéleven op basis van artikel 8 EVRM
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende vreemdeling, heeft sinds 1992 in Nederland verbleven, deels rechtmatig met verblijfsvergunningen en deels zonder. Hij heeft meerdere aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van humanitair privéleven (artikel 8 EVRM Pro), die allen zijn afgewezen en onherroepelijk zijn verklaard.
Bij de meest recente aanvraag en het daaropvolgende bezwaar heeft verweerder het standpunt ingenomen dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden (nova) zijn die aanleiding geven tot heroverweging van eerdere afwijzingen. De rechtbank toetst dit standpunt en concludeert dat de relatie van eiser met zijn huidige partner, die hij als nieuw feit aandraagt, niet als zodanig kan worden aangemerkt omdat deze relatie reeds bestond bij eerdere aanvragen en onvoldoende bestendig was.
Daarnaast is de inschrijving op het adres van de partner na het bestreden besluit en kan daarom geen gewicht krijgen. De rechtbank acht de banden van eiser met Nederland onvoldoende geïntensiveerd om een verblijfsvergunning te rechtvaardigen, mede gezien het feit dat een aanzienlijk deel van zijn verblijf zonder verblijfsrecht was.
Ook het betoog dat eiser ten onrechte niet is gehoord in bezwaar wordt verworpen, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het af zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.