ECLI:NL:RBDHA:2022:10956
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op uitstel van vertrek wegens medische noodsituatie volgens artikel 64 Vreemdelingenwet
Eisers, een moeder en haar zoon van Iraakse nationaliteit, hebben meerdere asielaanvragen ingediend die zijn afgewezen. Zij verzochten om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, vanwege medische omstandigheden. De Staatssecretaris wees dit verzoek af op basis van adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA), waarin geen medische noodsituatie op korte termijn werd vastgesteld.
Eisers dienden een verzoek tot aanhouding van de procedure in voor een contra-expertise, maar dit werd afgewezen wegens late indiening en onvoldoende onderbouwing. De rechtbank oordeelt dat het BMA-advies zorgvuldig en objectief is opgesteld en dat er geen concrete aanknopingspunten zijn om aan de juistheid of volledigheid ervan te twijfelen.
De medische situatie van de moeder betreft een depressieve stoornis en PTSS, zonder aanwijzingen voor suïcidaliteit of psychose. De zoon heeft doofheid en taalontwikkelingsproblemen, maar ook hier concludeert het BMA dat er geen medische noodsituatie op korte termijn is. Eisers stelden dat de beschikbaarheid van behandeling in Irak niet is meegenomen, maar de rechtbank stelt dat dit niet relevant is zonder medische noodsituatie.
Verder beroepen eisers zich op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het arrest Paposhvili van het EHRM, maar de rechtbank volgt de jurisprudentie dat het gaat om de vraag of uitstel van vertrek medisch verantwoord is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep op uitstel van vertrek wegens medische noodsituatie wordt ongegrond verklaard.