Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 18 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, Vw 2000.
Overwegingen
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser worden geloofwaardig geacht. Ten aanzien van het tweede relevante element worden de verklaringen van eiser dat hij lid was van IPOB en politieke activiteiten heeft verricht, geloofwaardig geacht. Dat bij eiser sprake is van een fundamentele politieke overtuiging wordt echter niet geloofwaardig geacht. Ook wordt niet geloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft ondervonden ten gevolge van het lidmaatschap van IPOB en de activiteiten die hij heeft verricht. Verweerder acht het niet aannemelijk dat eisers activiteiten in Nigeria en Nederland tot een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer leiden. Nu geen sprake is van een fundamentele politieke overtuiging mag van eiser bij terugkeer terughoudendheid worden verlangd in het uitoefenen van zijn politieke activiteiten. Het derde relevante element, dat eiser homoseksualiteit wordt toegedicht, wordt niet geloofwaardig geacht. Het vierde relevante element, de discriminatie van eiser op grond van zijn etniciteit en religie, wordt wel geloofwaardig geacht. Echter eisers vrees voor vervolging vanwege discriminatie wordt niet aannemelijk/zwaarwegend geacht. Ten aanzien van het vijfde relevante element wordt de verklaring van eiser dat hij een schuld heeft bij [naam] en zijn broers geloofwaardig geacht. Echter, eisers vrees voor vervolging vanwege deze schuld wordt niet gevolgd omdat eiser zijn verklaringen baseert op niet onderbouwde veronderstellingen. Eiser komt niet in aanmerking voor een reguliere vergunning op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Van gezinsleven tussen eiser en zijn partner is geen sprake omdat daar niet in voldoende mate invulling aan wordt gegeven omdat zij niet samenwonen en in het verleden ook niet samen hebben gewoond. Dat eiser zijn familieleven met zijn partner heeft onderbouwd met een brief maakt dat niet anders. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat van een objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen niet is gebleken, nu geen van beide in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Eiser heeft evenmin gezinsleven met zijn kind, aangezien zijn kind nog niet is geboren. Ook komt eiser niet in aanmerking voor een reguliere vergunning op grond van mensenhandel, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden. Eiser is geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 Vw Pro 2000. Het bestreden besluit geldt tevens als terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken. De rechtsgevolgen van dit besluit worden in het geval van instellen van beroep wel opgeschort.
welgeloofwaardig geachte politieke activiteiten van eiser. Hoewel verweerder meerdere aspecten heeft betrokken bij zijn afweging over de vrees bij terugkeer, maken de verklaringen van eiser in zijn gehoor dat hij zijn lidmaatschap van IPOB toonde door het dragen van kleding van de partij en hij daardoor problemen heeft ondervonden omdat hij tweemaal is geslagen door de politie geen onderdeel uit van de beoordeling. Over dit aspect van het relaas van eiser is door verweerder in het geheel geen standpunt ingenomen, terwijl dit wel van belang kan zijn voor de beoordeling van zijn vrees bij terugkeer. In zoverre heeft verweerder niet alle relevante aspecten betrokken bij zijn beoordeling en bevat het besluit op dit punt eveneens een gebrek.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;