ECLI:NL:RVS:2022:505
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- N. Verheij
- B.P. Vermeulen
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over de beoordeling van politieke overtuiging in asielprocedures
Deze uitspraak betreft twee hoger beroepen tegen besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin asielaanvragen werden afgewezen omdat de aanvragers, vreemdeling S en vreemdeling A, niet konden aantonen dat hun politieke overtuiging fundamenteel was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderzoekt de uitleg van artikel 10 van Pro de Kwalificatierichtlijn over politieke overtuiging en de beoordeling van de gegrondheid van de vrees voor vervolging.
Vreemdeling S en A zijn beiden uit Sudan afkomstig en hebben pas in Nederland politieke activiteiten ontplooid. De staatssecretaris stelt dat een politieke overtuiging fundamenteel moet zijn om bescherming te rechtvaardigen, terwijl de vreemdelingen en UNHCR betogen dat aan de sterkte van de overtuiging geen eisen mogen worden gesteld. De rechtbanken spraken zich verschillend uit over deze kwestie.
De Afdeling analyseert de relevante feiten, de toepasselijke wet- en regelgeving, en de rechtspraak van het Hof van Justitie. Zij concludeert dat de vervolgingsgrond politieke overtuiging, net als godsdienstige overtuiging, niet berust op onveranderlijke kenmerken en dat een politieke overtuiging een zekere mate van diepgang en continuïteit moet hebben om bescherming te rechtvaardigen.
De Afdeling stelt dat de nationale beslissingsautoriteit moet onderzoeken of de vreemdeling daadwerkelijk een diepgewortelde politieke overtuiging heeft en welke activiteiten daaruit voortvloeien. Indien dit onderzoek niet wordt uitgevoerd, moet de beslissingsautoriteit aannemen dat de overtuiging diepgeworteld is. De Afdeling legt vervolgens vier prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie om duidelijkheid te verschaffen over de uitleg van de vervolgingsgrond politieke overtuiging in het EU-recht.
De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.
Uitkomst: De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst in afwachting van het oordeel van het Hof van Justitie over prejudiciële vragen.