Verzoeker, een Sri Lankaans staatsburger, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De afwijzing was mede gebaseerd op het oordeel dat verzoekers politieke activiteiten niet waren gebaseerd op een fundamentele politieke overtuiging.
Verzoeker stelde dat het onderzoek naar zijn aanvraag onvolledig en onvoldoende zorgvuldig was, mede omdat het beoordelingskader onduidelijk is. De rechtbank nam kennis van een prejudiciële uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en de door haar aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gestelde prejudiciële vragen over de definitie van fundamentele politieke overtuiging.
Gezien het belang van deze prejudiciële vragen besloot de voorzieningenrechter het beroep te schorsen en het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Hierdoor wordt het bestreden besluit geschorst en mag verzoeker niet worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker.