Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2022 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- Sinds 22 oktober 2019 staat de verzekering van een auto (Mercedes met kenteken [kenteken] ) op naam van eiseres en de premie incasso vindt plaats van haar bankrekening;
- Uit een periode van uitgevoerde waarnemingen blijkt dat de Mercedes op wisselende tijdstippen van de dag op verschillende plekken in de directe nabijheid van haar woonadres staat geparkeerd;
- Uit dezelfde waarnemingen blijkt dat eiseres in de Mercedes rijdt en naar afspraken met de Sociale Dienst Leiden komt;
- Eiseres heeft een deel van de auto betaald via haar bankrekening.
- De [A] is de (huidige) kentekenhouder van de Mercedes sinds 11 oktober 2019. Zij heeft niet de beschikking over een rijbewijs en ook nooit gehad;
- Eiseres was bij de aankoop van de Mercedes aanwezig;
- De Mercedes komt uit de nalatenschap van haar overleden (stief)vader [vader] ;
- Eiseres betaalt de benzine voor de Mercedes;
- Eiseres verklaart zelf over de Mercedes te beschikken sinds 11 oktober 2019.
feitelijkkon aanwenden tot bestrijding van de noodzakelijke kosten van bestaan als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Pw. [3] Eiseres kan een auto die niet op haar naam staat ook niet verkopen. Verweerder hecht naast de onder 2.1 genoemde feiten en omstandigheden waarde aan de verklaring van de autoverkoper over de gedragingen van eiseres ten tijde van de aankoop, maar onduidelijk is gebleven om welke gedragingen van eiseres dat concreet gaat. Dat eiseres een deel van de aankoopprijs van de Mercedes heeft voldaan, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Zij heeft hierover verklaard dat zij deze betaling heeft gedaan namens [A] en daartoe in beroep een verklaring van [A] overgelegd waarin staat dat [A] samen met de vader van eiseres op 22 mei 2019 een Mercedes heeft gekocht. Omdat [A] zelf niet aanwezig was bij de aankoop, heeft eiseres het deel van [A] van € 13.800 voldaan nadat dit deel op de rekening van eiseres was gestort. [A] heeft deze verklaring ondertekend en een kopie van haar identiteitskaart bijgevoegd. In beroep heeft eiseres eveneens een stortingsbewijs overgelegd waaruit blijkt dat op 22 mei 2019 een contant bedrag van € 13.800,- op haar rekening is gestort. Verweerder heeft deze verklaring van eiseres in beroep niet bestreden of anderszins een reactie hierop gegeven.