ECLI:NL:RBDHA:2022:11199

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2022
Publicatiedatum
28 oktober 2022
Zaaknummer
NL21.19271
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid terugkeerbesluit en inreisverbod voor vreemdeling zonder rechtmatig verblijf

Eiser, van Albanese nationaliteit, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar, opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vanwege het bezit van een vals identiteitsbewijs en het onrechtmatig verblijf in Nederland.

Eiser betwistte het besluit en voerde aan dat het terugkeerbesluit onvoldoende gemotiveerd was, met name omdat niet duidelijk was naar welk land hij zou worden uitgezet. De rechtbank oordeelde dat eiser tijdens het gehoor had bevestigd geen rechtmatig verblijf te hebben en geen bewijs had geleverd van een verblijfsrecht in Nederland of een andere lidstaat.

Verder stelde de rechtbank vast dat het terugkeerbesluit ondubbelzinnig aangaf dat eiser naar Albanië of een nog vast te stellen land van bestemming moet terugkeren, wat voldoende rechtsbescherming biedt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het inreisverbod werd gehandhaafd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.19271
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Loth), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft een termijn voor vrijwillig vertrek onthouden.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 28 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Albanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994. Eiser is aangehouden, omdat hij in het bezit was van een vals Italiaans identiteitsbewijs.
2. Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft overwegogen dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft en dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste
documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; 4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3. Eiser is het hier niet mee eens. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland of een andere lidstaat. Er kan hierdoor niet worden vastgesteld dat eiser illegaal in Nederland verblijft. Daarom kan geen terugkeerbesluit worden opgelegd. Ook is in het terugkeerbesluit de nationaliteit van eiser en het land van herkomst waar eiser naar wordt uitgezet niet opgenomen. Eiser wijst erop dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het land waarnaar iemand wordt uitgezet in het terugkeerbesluit moet worden opgenomen. Het terugkeerbesluit is ook om deze reden onrechtmatig.1
4. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland of een ander land binnen de Europese Unie. Dit heeft eiser tijdens het gehoor van 12 november 2021 bevestigd. Daarnaast heeft eiser geen documenten overgelegd waaruit een eventueel verblijfsrecht in Nederland of een andere lidstaat blijkt. Omdat er geen aanknopingspunten zijn dat eiser rechtmatig verblijf heeft, hoefde verweerder dit in het terugkeerbesluit niet nader te motiveren.
5. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juni 2021 volgt dat een terugkeerbesluit het land van terugkeer moet bevatten, om het voor de vreemdeling mogelijk te maken eventuele belangen die aan terugkeer naar dat land in de weg staan, zo goed mogelijk naar voren te brengen. Uit deze uitspraak volgt ook dat de rechtsbescherming van de vreemdeling op dit punt niet in gevaar is, wanneer uit de motivering van het besluit ondubbelzinnig blijkt naar welk land verweerder verwacht dat hij terugkeert.2
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder in tegenstelling tot wat eiser aanvoert in het terugkeerbesluit expliciet heeft opgenomen dat eiser dient terug te keren naar Albanië of een nog vast te stellen land van bestemming. Bij het gehoor van 12 november 2021 is eiser ook bevraagd over de terugkeer naar Albanië en hoe hij daartegen aankijkt. Uit het besluit volgt hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk naar welk land eiser moet terugkeren. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Het terugkeerbesluit is gelet op het voorgaande rechtmatig. Dit kan dus als grondslag voor het inreisverbod dienen. Eiser heeft geen zelfstandige beroepsgronden gericht tegen de oplegging en/of duur van het inreisverbod zodat de rechtbank dit niet verder zal bespreken.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Zie het arrest van het HvHEU van 14 mei 2020 ECLI:EU:C:2020:367 (FMS) en het arrest van het HvJEU van 24 februari 2021 ECLI:EU:C:2021:127 (M. e.a.)

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr.
R.G.A. Beijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
25 maart 2022
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. C.M. Dijksterhuis R.G.A. Beijen
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.