ECLI:NL:RBDHA:2022:11239
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening visum kort verblijf wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekers, beiden van Indiase nationaliteit, hebben een visum voor kort verblijf aangevraagd dat door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen deze besluiten en tevens een voorlopige voorziening gevraagd om alvast naar Nederland te mogen reizen.
De verzoekers stelden dat hun moeder wel een visum heeft en dat zij bij hun vader in Nederland willen verblijven om gezinsleven te voeren. Zij betoogden dat de moeder niet langer in Nederland kan verblijven als zij geen toegang krijgen, omdat zij anders naar India zou moeten terugkeren om voor hen te zorgen. Tevens wezen zij op de lange behandeltermijn van hun visumaanvraag.
De staatssecretaris voerde aan dat niet is gebleken waarom de moeder zou moeten terugkeren en dat de behandeltermijn van vijftien dagen niet geldt voor de bezwaarfase. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake is van onverwijlde spoed, omdat verzoekers meerderjarig zijn en voor zichzelf kunnen zorgen, en er geen aannemelijk gemaakt is dat de moeder rechten verliest. De lange behandeltermijn is onvoldoende om spoed aan te nemen.
Daarom wees de voorzieningenrechter de verzoeken om voorlopige voorziening af en kende geen proceskosten toe. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening voor een visum kort verblijf worden afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed.