ECLI:NL:RBDHA:2022:11385

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2022
Publicatiedatum
2 november 2022
Zaaknummer
NL22.13293
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Versnelde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:57 AwbArt. 28 Vw 2000Art. 30a Vw 2000
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingediende ingebrekestelling in asielprocedure

Eiser diende op 27 augustus 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, stelde op 13 december 2021 een informatieverzoek aan Griekenland in en ontving op 10 januari 2022 bericht dat eiser in de nationale procedure van Griekenland was opgenomen, waardoor Nederland vanaf die datum verantwoordelijk werd voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser stelde verweerder bij brief van 8 juni 2022 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag en diende op 12 juli 2022 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank stelde vast dat de ingebrekestelling op 9 juni 2022 door verweerder werd ontvangen, terwijl de beslistermijn nog niet was verstreken. Hierdoor was de ingebrekestelling prematuur en het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling. Partijen maakten geen gebruik van het recht op mondelinge behandeling, waarna de rechtbank het onderzoek sloot. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: NL22.13293
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser, en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 27 augustus 2021 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), ingediend.
Op 13 december 2021 heeft verweerder bij de autoriteiten van Griekenland een informatie- verzoek op grond van artikel 34 van Pro de Dublinverordening ingediend.
Op 10 januari 2022 heeft verweerder bericht dat eiser in de nationale asielprocedure is opgenomen en dat zijn aanvraag in beginsel kan worden afgedaan op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Bij brief van 8 juni 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
Eiser heeft vervolgens op 12 juli 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als gemachtigde heeft zich mr. I.M. van Kuilenburg, advocaat te ’s-Hertogenbosch, gesteld.
Geen van beide partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:
het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, wordt op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro deze wet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
Ingevolge artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 vangt, indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro deze wet wordt onderzocht of de aanvraag op grond van artikel 30 niet Pro in behandeling dient te worden genomen, de termijn, bedoeld in het eerste lid, aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
2. Zoals hiervoor reeds is vermeld, is eiser op 10 januari 2022 in de nationale procedure opgenomen, wat betekent dat Nederland met ingang van deze datum moet worden aangemerkt als de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van de aanvraag van eiser. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:838) volgt dat op die datum ingevolge artikel 42, zesde lid, van de
Vw 2000, gelezen in verbinding met het eerste lid van die bepaling, de beslistermijn is begonnen.
3. De ingebrekestelling van 8 juni 2022 is (kennelijk) op 9 juni 2022 door verweerder ontvangen. Op deze datum was de beslistermijn nog niet verstreken, zodat vastgesteld moet worden dat de ingebrekestelling prematuur is. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser is daarom dan ook niet-ontvankelijk.
4. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van
J.B.J.C.L. Caelers-Sijbers, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 21 oktober 2022.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag van bekendmaking hoger beroep wordt ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.