ECLI:NL:RBDHA:2022:11386

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2022
Publicatiedatum
2 november 2022
Zaaknummer
NL22.13277
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Versnelde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:57 AwbArt. 18 DublinverordeningArt. 28 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingediende ingebrekestelling in asielprocedure

Eiser diende op 10 november 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder diende op 4 januari 2022 een terugnameverzoek in bij Oostenrijk op grond van de Dublinverordening, maar trok dit verzoek op 23 juni 2022 in. Vanaf die datum werd Nederland verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser stelde verweerder bij brief van 23 juni 2022 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen en stelde op 12 juli 2022 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank constateerde dat de ingebrekestelling op 25 juni 2022 werd ontvangen, terwijl de beslistermijn nog niet was verstreken. Hierdoor was de ingebrekestelling prematuur en het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af en verwees naar de toepasselijke wettelijke bepalingen uit de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan op 21 oktober 2022 en is openbaar bekendgemaakt.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: NL22.13277
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser, en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 10 november 2021 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), ingediend.
Op 4 januari 2022 heeft verweerder bij de autoriteiten van Oostenrijk een terugnameverzoek op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening ingediend.
Op 23 juni 2022 heeft verweerder dit verzoek ingetrokken en aan (de gemachtigde van) eiser medegedeeld dat het niet mogelijk is gebleken eiser voor het verstrijken van de uiterste overdrachtsdatum over te dragen. De aanvraag van eiser zal daarom in de nationale asielprocedure worden behandeld.
Bij brief van 23 juni 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag.
Eiser heeft vervolgens op 12 juli 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. P.A.E. Engelen, advocaat te Voerendaal.
Geen van beide partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:
het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, wordt op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro deze wet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
Ingevolge artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 vangt, indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro deze wet wordt onderzocht of de aanvraag op grond van artikel 30 niet Pro in behandeling dient te worden genomen, de termijn, bedoeld in het eerste lid, aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
2. Zoals hiervoor reeds is vermeld, is eiser op 23 juni 2022 in de nationale procedure opgenomen, wat betekent dat Nederland met ingang van deze datum moet worden aangemerkt als de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van de aanvraag van eiser. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:838) volgt dat op die datum ingevolge artikel 42, zesde lid, van de
Vw 2000, gelezen in verbinding met het eerste lid van die bepaling, de beslistermijn is begonnen.
3. De ingebrekestelling van 23 juni 2022 is (kennelijk) op 25 juni 2022 door verweerder ontvangen. Op deze datum was de beslistermijn nog niet verstreken, zodat vastgesteld moet worden dat de ingebrekestelling prematuur is. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser is daarom dan ook niet-ontvankelijk.
4. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van
J.B.J.C.L. Caelers-Sijbers, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 21 oktober 2022.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag van bekendmaking hoger beroep wordt ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.