ECLI:NL:RBDHA:2022:11413

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2022
Publicatiedatum
3 november 2022
Zaaknummer
NL22.13001 AWB 22/3991
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na inwilliging asielaanvraag

Eiser heeft op 8 juli 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 8 november 2021. De staatssecretaris heeft bij besluit van 19 juni 2022 de asielaanvraag alsnog ingewilligd. Hierdoor ontbreekt het procesbelang voor het beroep en verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Eiser heeft in de procedure verzocht om een proceskostenveroordeling van de staatssecretaris. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van zes maanden, zoals bepaald in artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, is overschreden zonder geldige verlenging. Eiser heeft de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke gesteld en het beroep tijdig ingesteld.

De rechtbank oordeelt dat verweerder bereid is de proceskosten te vergoeden en veroordeelt hem tot betaling van €379,50 aan eiser. Een afzonderlijke veroordeling in de andere procedure wordt niet gegeven omdat alleen digitaal kan worden geprocedeerd. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de proceskosten worden toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €379,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.13001 en AWB 22/3991

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D. Aygur),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: H.Q. van der Zaan).

Procesverloop

Op 28 juni 2022 (AWB 22/3991) en 8 juli 2022 (NL22.13001) heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 8 november 2021.
Bij besluit van 19 juni 2022 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser alsnog ingewilligd.
Desgevraagd heeft eiser procedure AWB 22/3991 ingetrokken. Eiser heeft daarbij verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
In procedure NL22.13001 heeft eiser eveneens verzocht om een proceskostenveroordeling van verweerder.
Verweerder heeft op 23 augustus 2022 op het verzoek om te worden veroordeeld in de proceskosten gereageerd.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Nu met het inwilligen van de asielaanvraag tegemoet is gekomen aan het op 8 juli 2022 ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal dat beroep wegens het ontbreken van procesbelang kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. In het kader van het verzoek om een proceskostenveroordeling oordeelt de rechtbank als volgt.
3. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. Eiser heeft op 8 november een asielaanvraag ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bedraagt de beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in artikel 42, vierde en het vijfde lid, van de Vw om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 8 mei 2022 een beslissing had moeten nemen.
5. De wettelijke beslistermijn is verstreken zonder dat een beslissing op de aanvraag is genomen. Eiser heeft verweerder op 10 mei 2022 rechtsgeldig in gebreke gesteld, zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser beroep heeft ingesteld. Het beroep is daarom terecht ingesteld.
6. Verweerder heeft laten weten bereid te zijn de proceskosten te vergoeden.
7. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5). Daargelaten dat alleen digitaal kan worden geprocedeerd, bestaat geen aanleiding voor een afzonderlijke veroordeling in de proceskosten in procedure AWB 22/3991.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.