ECLI:NL:RBDHA:2022:1142
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen aanmaning niet-ontvankelijk verklaard
Verzoekster heeft tegen een aanmaning van het college van burgemeester en wethouders van Gouda bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. Het bestreden besluit betreft een aanmaning op grond van artikel 4:112 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin verzoekster wordt gemaand een schuld van € 8.842,01 binnen twee weken te betalen.
De voorzieningenrechter overweegt dat een aanmaning geen terugvorderings- of invorderingsbesluit is, maar een schriftelijke aanmaning die betaling binnen twee weken vordert en waarschuwt voor invorderingsmaatregelen bij niet-betaling. Op grond van artikel 8:4, aanhef en onder b, van de Awb kunnen tegen een aanmaning geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen worden aangewend, waaronder een verzoek om voorlopige voorziening.
Verzoekster heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht voor het griffierecht, maar dit is afgewezen en het griffierecht is alsnog betaald. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de aanmaning wordt niet-ontvankelijk verklaard.