ECLI:NL:RBDHA:2022:11475

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2022
Publicatiedatum
4 november 2022
Zaaknummer
NL22.86
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 6 SchengengrenscodeHoofdstuk 4 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod wegens illegaal verblijf en ontbreken vrije termijn

Eiser, met de Albanese nationaliteit, kreeg op 13 december 2021 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, stellende dat hij het Schengengebied was binnengekomen met een geldig paspoort en recht had op een vrije termijn om te reizen en verblijven.

De rechtbank oordeelde dat eiser de intentie had om illegaal naar het Verenigd Koninkrijk te reizen en daardoor niet voldeed aan de voorwaarden van de Schengengrenscode voor een vrije termijn. Omdat hij onrechtmatig verbleef en geen melding had gemaakt van zijn verblijf, was het terugkeerbesluit terecht opgelegd. De rechtbank vond de motivering van de staatssecretaris voldoende en wees het beroep af.

Eiser had geen economische banden, geen woon- of verblijfsplaats in Nederland en geen medische bezwaren tegen terugkeer. De rechtbank concludeerde dat het risico bestond dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, waardoor het inreisverbod en het ontbreken van een vrije termijn gerechtvaardigd waren. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.86
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: I.E. Lemmens).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Albanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997.
2. In het terugkeerbesluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat verweerder de gronden 3a, 3b en 4a niet heeft mogen tegenwerpen, omdat hij het Schengengebied is binnengekomen met een geldig Albanees paspoort. Op basis daarvan had hij het recht om gedurende de vrije termijn in het Schengengebied te reizen en verblijven. Volgens eiser kunnen de resterende gronden 4c en 4d het terugkeerbesluit en inreisverbod niet dragen.
4. Uit de omstandigheden waaronder eiser is aangehouden en uit de verklaringen van eiser van 13 december 2021 volgt dat hij de intentie had om op illegale wijze uit te reizen naar het Verenigd Koninkrijk en dat hij met dat doel ook het Schengengebied is ingereisd. Op de vraag van de ambtenaar waarom eiser naar Europa is gekomen, heeft eiser geantwoord: ‘Het enige doel was om naar Engeland te vertrekken. [..] Ik had geen ander doel dan naar Engeland te gaan.’1 Door met dat doel in te reizen, heeft eiser niet voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Schengengrenscode genoemde voorwaarden en had hij geen vrije termijn. Het circulatierecht is immers niet bedoeld om illegaal te reizen. Er is door zijn eigen verklaringen geen ruimte voor eisers uitleg dat het circulatierecht pas is vervallen op het moment dat hij de vrachtwagen inklom met als doel illegaal het Verenigd Koninkrijk in te reizen. Nu eiser geen vrije termijn had en dus onrechtmatig in Nederland verbleef, diende hij van zijn verblijf hier melding te maken. Dit heeft eiser niet gedaan. Verweerder heeft eiser dan ook terecht de gronden 3a, 3b en 4a tegengeworpen. Deze gronden en de door eiser niet bestreden gronden 4c en 4d zijn in samenhang bezien voldoende om aan te nemen dat een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder was daarom bevoegd eiser een vertrektermijn te onthouden.2
5. Naar het oordeel van de rechtbank zijn verweerders motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten voldoende om duidelijk te maken waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden hem geen aanleiding hebben gegeven van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Eiser heeft zelf verklaard in Engeland te willen werken en bij terugkeer arm te blijven. Eiser was illegaal in Nederland, had geen economische banden, voldoende middelen van bestaan en geen medische bezwaren voor zijn terugkeer. Daarnaast had eiser in Nederland geen woon- of verblijfsplaats en geen familie, vrienden of kennissen.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
1. Zie Proces-verbaal van gehoor van 13 december 2021, p. 2.
2 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht Raad van State van 7 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1911.
De uitspraak is in het openbaar uitgesproken in en bekendgemaakt op:
30 maart 2022

Documentcode: [nummer]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.