ECLI:NL:RBDHA:2022:11539

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 oktober 2022
Publicatiedatum
7 november 2022
Zaaknummer
NL22.16606
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser niet heeft betwist dat Duitsland de verantwoordelijke lidstaat is. De staatssecretaris heeft gemotiveerd dat Duitsland het asielverzoek zal behandelen conform Europese richtlijnen en dat er geen sprake is van uitzetting in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Eiser heeft dit niet gemotiveerd betwist.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat eventuele schendingen van rechten in Duitsland eerst in Duitsland moeten worden aangevochten. Het feit dat eiser geen asielgehoor in Duitsland heeft gehad, leidt niet tot een ander oordeel, mede omdat eiser aangaf niet in Duitsland te willen blijven.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 17 Dublinverordening Pro en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.16606
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft niet bestreden dat Duitsland de verantwoordelijke lidstaat is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd gereageerd op de door eiser in de zienswijze geuite bezwaren tegen zijn overdracht aan Duitsland. Daarbij is terecht overwogen dat, met het claimakkoord, de aanname bestaat dat de Duitse autoriteiten het asielverzoek van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat Duitsland eiser niet in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [1] en artikel 4 van Pro het Handvest [2] zal uitzetten naar Polen, om vervolgens via Wit-Rusland naar Jemen te worden teruggestuurd. Eiser heeft dit in beroep niet gemotiveerd betwist.
3. Voor zover eiser stelt dat zijn rechten in Duitsland (zullen) worden geschonden, geldt dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiser daarover eerst in Duitsland dient te klagen. Dat eiser geen asielgehoor heeft gehad in Duitsland leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft immers zelf verklaard dat hij niet de intentie had om in Duitsland te blijven en daar asiel aan te vragen. Eiser wilde naar Nederland komen.
4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [3]
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2022 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.