Eiser, een staatloze Palestijn geboren in een vluchtelingenkamp in Libanon, vreesde terugkeer vanwege bedreigingen door islamitische groeperingen en discriminatie. De staatssecretaris wees zijn asielaanvraag af op grond van de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag en geloofde niet dat eiser persoonlijk problemen had ondervonden.
Eiser voerde aan dat de UNRWA door financiële problemen niet langer in staat is om adequate bescherming en bijstand te bieden, waardoor hij onder het Vluchtelingenverdrag valt. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin werd vastgesteld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de UNRWA haar kerntaken nog kan vervullen.
De rechtbank oordeelde dat de motivering van verweerder onvoldoende was, mede gelet op recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, die benadrukt dat ook de situatie op het moment van de beslissing relevant is. Het bestreden besluit werd vernietigd en verweerder werd opgedragen opnieuw te beslissen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.