ECLI:NL:RBDHA:2022:11600

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2022
Publicatiedatum
7 november 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 6902
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Huisvestingsverordening Den Haag 2019Art. 4:6 Huisvestingsverordening Den Haag 2019Art. 2.1.2 Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019Art. 8 EVRMArt. 27 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent woonprobleem en beleidsruimte gemeente

Eiser verzocht bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om een urgentieverklaring omdat hij dakloos is, psychische klachten heeft en met zijn zoon bij kennissen verblijft. Het college wees dit verzoek af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019, met name omdat geen sprake was van een urgent woonprobleem en eiser zijn situatie redelijkerwijs anders kon oplossen.

Eiser voerde in beroep aan dat zijn zoon door zijn ex-partner uit huis is gezet, hij lijdt aan chronische depressie en PTSS, en dat hij vanwege de zorg voor zijn zoon niet kan verhuizen naar een krimpregio of een particuliere woning huren. Ook stelde hij dat de Huisvestingsverordening strijdig is met de wet en internationale verdragen, en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden.

De rechtbank oordeelde dat het college een ruime beoordelings- en beleidsruimte heeft bij het toekennen van urgentieverklaringen en dat het restrictieve beleid gerechtvaardigd is vanwege het woningtekort. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een urgent woonprobleem en dat hij zijn woonprobleem niet redelijkerwijs zelf kan oplossen. Ook faalden zijn betogen over schending van internationale verdragen en de Grondwet.

De rechtbank concludeerde dat de weigering van de urgentieverklaring niet onredelijk was en dat de hardheidsclausule niet toegepast hoefde te worden. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/6902

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A. Güngörmez),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. Z. Haidary).

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 20 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gehoord via een beeldverbinding op 19 oktober 2022.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser heeft verzocht om een urgentieverklaring omdat hij dakloos is en hij met zijn zoon verblijft bij kennissen. Ook heeft hij psychische klachten. Verweerder heeft de urgentieverklaring geweigerd, onder meer omdat geen sprake is van een urgent woonprobleem. Eiser is het hier niet mee eens.
Wat heeft verweerder beslist?
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4:5, aanhef onder b, c, m en n, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019. [1] Volgens verweerder is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem. Het niet hebben van een vaste verblijfplaats, waardoor zijn kinderen niet bij hem kunnen komen, en de psychische klachten van eiser die hierdoor zouden verergeren, kunnen niet worden aangemerkt als urgent woonprobleem. [2] Eiser had zijn woonprobleem volgens verweerder ook redelijkerwijs op andere wijze kunnen oplossen. Hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom het woonprobleem niet opgelost zou kunnen worden door het huren van een woning, kamer of studio op de particuliere woningmarkt. Ook heeft hij niet aangetoond dat de psychische problematiek niet met behulp van een gerichte behandeling opgelost worden. Daarnaast werpt verweerder aan eiser tegen dat hij zonder legitieme noodzaak veelvuldig reageert binnen een beperkter zoekgebied dan de hele regio Haaglanden. Verder staat eiser, gelet op het feit dat hij op een correspondentieadres stond ingeschreven, niet ten minste twee jaar voorafgaand aan de aanvraag aansluitend als bewoner ingeschreven in de Basisregistratie personen van een gemeente in de regio Haaglanden. Er is volgens verweerder geen reden om de hardheidsclausule toe te passen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat het woonprobleem is ontstaan doordat zijn zoon door zijn ex-partner uit de woning is gezet en nu bij hem verblijft. Zijn zoon heeft problemen op school en de woonsituatie houdt deze problemen in stand. Zijn zoon heeft behoefte aan een plek waarin hij zich kan terugtrekken. Zijn kinderen willen bij hem verblijven, maar dat kan niet door het gebrek aan een eigen woonruimte. Eiser stelt dat hij lijdt aan een chronische depressie en PTSS. Daarom heeft hij behoefte aan rust en stabiliteit. Hij voert aan dat hij reageert in de hele regio Haaglanden. Hij heeft niet genoeg geld om een particuliere woning te huren. Het huren van een kamer is volgens hem geen oplossing, omdat hij de zorg draagt voor zijn zoon. Hij kan niet naar een krimpregio verhuizen, omdat hij rechten en plichten heeft jegens zijn minderjarige kinderen. Verder voert eiser aan dat de Huisvestingsverordening strijdig is met de bedoeling van de wetgever en de Huisvestingswet. Er worden vergaande regels ingevoerd en voorwaarden gesteld, terwijl de gemeente op geen enkele wijze uiteenzet hoe en wanneer zij stappen heeft ondernomen om de bouwmogelijkheden uit te putten. Ook is niet aangetoond dat bij de invoering van de Huisvestingsverordening aan de plicht is voldaan dat deze voor maximaal vier jaar mag worden vastgesteld. Daarnaast is sprake van strijd met het evenredigheids- en motiveringsbeginsel, de artikelen 27 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), 17 en 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESH), 8 van het EVRM en 10, 12 en 22 van de Grondwet. Ook voert eiser aan dat hij heeft voldaan aan het vereiste van maatschappelijke binding, omdat hij al heel lang in de regio woont. Ten slotte had verweerder volgens hem de hardheidsclausule moeten toepassen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Is de Huisvestingsverordening in strijd met de Huisvestingswet?
4. Ten aanzien van de beroepsgronden die namens eiser zijn aangevoerd over de Huisvestingsverordening, merkt de rechtbank op dat deze overeenkomen met de gronden die de gemachtigde van eiser heeft aangevoerd in eerdere procedures. Nu de rechtbank zich hier al eerder over heeft uitgelaten, volstaat zij met een verwijzing naar eerdere uitspraken. [3]
Is er een urgent woonprobleem?
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de aan hem in de Huisvestingsverordening verleende bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring, gelet op de tekst ervan, een bepaalde mate van beoordelings- en beleidsruimte toekomt. Dit leidt er toe dat de rechtbank het bestreden besluit terughoudend moet toetsen. Het restrictieve beleid van verweerder ten aanzien van urgentieverklaringen heeft als doel de verdeling van de woningvoorraad onder de vele woningzoekenden op een zo rechtvaardig mogelijke manier te regelen. Het verlenen van voorrang aan de één betekent namelijk dat andere woningzoekenden langer op een woning moeten wachten. Bij het verlenen van urgentieverklaringen is verweerder gehouden aan de weigeringsgronden uit het opgestelde beoordelingssysteem. Dit beleid is door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk geacht, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat voor toewijzing beschikbaar is. [4] Het woningtekort is een landelijk probleem en leidt niet tot de conclusie dat verweerder een ruimer beleid zou moeten voeren bij het toekennen van urgentieverklaringen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat eiser niet voor een urgentieverklaring in aanmerking komt, omdat er weigeringsgronden van toepassing zijn. Hoewel duidelijk is dat de situatie niet ideaal is, heeft eiser niet aangetoond dat sprake is van een urgent woonprobleem. Zijn zoon staat niet bij hem ingeschreven en zijn ex-partner heeft het ouderlijk gezag. Dat zijn zoon bij hem zou willen verblijven en niet bij zijn moeder, is geen omstandigheid waar verweerder rekening mee kan houden. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser op woningen in een te beperkt gebied reageert. Verder heeft eiser niet aangetoond dat hij niet op de particuliere woningmarkt een kamer, studio of woning kan huren. Nu zich algemene weigeringsgronden voordoen, kon verweerder de aanvraag afwijzen zonder toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag met betrekking tot de psychische problematiek van eiser. Eiser heeft ook niet aangetoond dat de psychische problematiek niet behandeld kan worden.
Is de weigering in strijd met internationale verdragen of de Grondwet?
7. Het betoog van eiser dat sprake is van schending van artikel 8 van Pro het EVRM slaagt niet. Uit artikel 8 van Pro het EVRM vloeit geen positieve verplichting voort tot verstrekking van een urgentieverklaring. Het betoog van eiser dat sprake is van schending van artikel 27 van Pro het IVRK, slaagt evenmin. Deze bepaling bevat geen normen die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter. Het is daarvoor niet voldoende concreet en behoeft nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving. Voor zover eiser heeft betoogd dat de (de urgentieregeling in) Huisvestingsverordening in strijd is met andere internationale verdragen of de Grondwet verwijst de rechtbank nogmaals naar een eerdere uitspraak. [5]
Had verweerder toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule?
8. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiser geschetste omstandigheden niet leiden tot onbillijkheden van overwegende aard waardoor verweerder gehouden was om, in afwijking van het beleid, alsnog een urgentieverklaring te verstrekken. Hierbij is van belang dat eiser zijn woonprobleem zelf kan oplossen.
Wat is de conclusie van deze uitspraak?
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen urgentieverklaring krijgt. Verweerder hoeft de kosten die eiser voor deze procedure heeft gemaakt niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, dan kunt u een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 4:5 van Pro de huisvestingsverordening weigert verweerder de urgentieverklaring indien naar zijn oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
2.Op grond van artikel 2.1.2, onder m, n en o, van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019.
3.Zie de uitspraken van deze rechtbank van 14 april 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:3481) en 16 februari 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:1045) en de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 24 september 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:4727), 2 november 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:5701) en 1 december 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:5870).
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:628).
5.Zie de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank van 16 februari 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:1045).