ECLI:NL:RBDHA:2022:11600
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent woonprobleem en beleidsruimte gemeente
Eiser verzocht bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om een urgentieverklaring omdat hij dakloos is, psychische klachten heeft en met zijn zoon bij kennissen verblijft. Het college wees dit verzoek af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019, met name omdat geen sprake was van een urgent woonprobleem en eiser zijn situatie redelijkerwijs anders kon oplossen.
Eiser voerde in beroep aan dat zijn zoon door zijn ex-partner uit huis is gezet, hij lijdt aan chronische depressie en PTSS, en dat hij vanwege de zorg voor zijn zoon niet kan verhuizen naar een krimpregio of een particuliere woning huren. Ook stelde hij dat de Huisvestingsverordening strijdig is met de wet en internationale verdragen, en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden.
De rechtbank oordeelde dat het college een ruime beoordelings- en beleidsruimte heeft bij het toekennen van urgentieverklaringen en dat het restrictieve beleid gerechtvaardigd is vanwege het woningtekort. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een urgent woonprobleem en dat hij zijn woonprobleem niet redelijkerwijs zelf kan oplossen. Ook faalden zijn betogen over schending van internationale verdragen en de Grondwet.
De rechtbank concludeerde dat de weigering van de urgentieverklaring niet onredelijk was en dat de hardheidsclausule niet toegepast hoefde te worden. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.