De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Unieburger tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd genomen vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, gebaseerd op meerdere gronden die eiser niet betwistte.
Eiser stelde dat hij rechtmatig verblijf had op grond van het Unierecht omdat hij drie maanden in Hongarije verbleef na een verwijderingsbesluit. De rechtbank stelde vast dat het verwijderingsbesluit van 2 maart 2022 door de staatssecretaris aan het dossier was toegevoegd en dat eiser op 28 juni 2022 naar Hongarije was uitgezet. Uit het dossier bleek dat eiser sinds 14 oktober 2022 weer in Nederland verbleef, maar hij kon niet aantonen dat hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief had beëindigd.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen bewijs had geleverd van een daadwerkelijke en effectieve beëindiging van zijn verblijf in Nederland en dat hij na terugkeer niet voldeed aan de voorwaarden voor verblijf als EU-burger. De beroepsgrond faalde, het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.