ECLI:NL:RVS:2022:1452
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling wegens niet beëindigen verblijf op grond van Verblijfsrichtlijn
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling, een Poolse burger, in bewaring omdat zij geen rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht meer had. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep.
De Raad van State overwoog dat het arrest F.S. van het Hof van Justitie EU relevant is voor de beoordeling of de vreemdeling haar verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Dit vereist een algehele beoordeling van alle omstandigheden, waaronder de duur van het verblijf buiten Nederland en andere elementen die duidelijkheid geven over het verblijf.
De vreemdeling kon niet aannemelijk maken wanneer zij Nederland verliet en terugkeerde. De rechtbank oordeelde dat haar gedrag na terugkeer een voortzetting was van haar eerdere verblijf, en dat de periode buiten Nederland relatief kort was. Daarom is het verblijf niet daadwerkelijk en effectief beëindigd, en is het verwijderingsbesluit niet uitgewerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat de bewaring terecht is gesteld. De grief van de vreemdeling leidt niet tot vernietiging van het vonnis. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt bevestigd omdat zij haar verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd.