ECLI:NL:RBDHA:2022:11825

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 april 2022
Publicatiedatum
10 november 2022
Zaaknummer
NL22.5612
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 1 april 2022 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan toezicht.

Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld omdat de bewaring pas zeven dagen voor de geplande vlucht van 8 april 2022 werd ingesteld, terwijl de vluchtdatum al op 9 maart 2022 bekend was. De rechtbank oordeelde dat deze termijn niet onevenredig was en dat verweerder voldoende tijd moest hebben om de overdracht te realiseren.

Verder voerde eiser aan dat verweerder een inspanningsverplichting had om zijn gemachtigde te informeren over de weigering van de PCR-test, wat niet is gebeurd. De rechtbank oordeelde dat deze verplichting niet bij verweerder ligt, maar bij de gemachtigde om eiser te informeren over de gevolgen.

Ten slotte stelde eiser dat hij door de bewaring feitelijk werd gedwongen de PCR-test af te nemen, wat in strijd zou zijn met zijn lichamelijke integriteit. De rechtbank stelde dat weigering van de PCR-test toegestaan is, maar dat de gevolgen daarvan voor risico van eiser zijn omdat hij niet meewerkt aan zijn overdracht.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.5612
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Ajdid. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1978] .
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist.
Voortvarendheid
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser is staande gehouden op 1 april 2022. De vlucht van eiser zou plaatsvinden op 8 april 2022. Dat de vlucht op deze datum plaats zou plaatsvinden, was op 9 maart 2022 al bekend. Verweerder had daarom voortvarender kunnen handelen en ervoor moeten zorgen dat eiser korter voor de geplande vlucht van 8 april 2022 in bewaring was gesteld.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. Als er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en het risico bestaat dat hij niet zal meewerken aan zijn overdracht, mag verweerder de maatregel van bewaring opleggen. Dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, volgt uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. Dat het vervolgens nog zeven dagen duurt voordat de vlucht van eiser zal plaatsvinden is niet onevenredig lang. Verweerder mocht de inbewaringstelling van eiser zeven dagen voor de geplande vlucht realiseren om er zeker van te zijn dat er voldoende tijd beschikbaar was om de overdracht daadwerkelijk te kunnen laten plaatsvinden. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat dit onvoldoende voortvarend zou zijn, is niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Inspanningsverplichting
6. Eiser voert verder aan dat verweerder de gemachtigde van eiser had moeten bellen toen duidelijk werd dat eiser zijn PCR-test zou gaan weigeren/had geweigerd voor de vlucht die stond gepland op 8 april 2022. Eiser heeft zijn PCR-test geweigerd omdat hij in de veronderstelling was dat hij dan na zes weken vrij zou komen. Dat is echter niet zo. Als verweerder de gemachtigde van eiser had gebeld nadat eiser deze test zou gaan weigeren/had geweigerd, kon de gemachtigde van eiser dit aan eiser uitleggen. Als verweerder niet de moeite doet om de gemachtigde van eiser te bellen, handelt hij onvoldoende voortvarend, aldus eiser.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gemachtigde van eiser niet heeft hoeven bellen toen duidelijk werd dat eiser de PCR-test ging weigeren, dan wel nadat eiser de PCR-test had geweigerd. Een dergelijke inspanningsverplichting heeft verweerder niet. Het ligt namelijk op de weg van de gemachtigde van eiser om eiser, voor of na het weigeren van de PCR-test, op de hoogte te brengen van de gevolgen van het weigeren van deze test. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
PCR-test
8. Eiser voert verder aan dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State enerzijds zegt dat iemand volledig moet meewerken aan zijn uitzetting, dus ook aan de PCR-test. Anderzijds zijn er rechtbanken die zeggen dat de PCR-test niet verplicht kan worden, omdat dat ingaat tegen de lichamelijke integriteit. Eiser heeft zijn PCR-test geweigerd, maar zit nog steeds in vreemdelingenbewaring. Daardoor wordt hij de facto verplicht de PCR-test af te nemen, terwijl lichamelijke integriteit zwaarder hoort te wegen dan de verplichting om de PCR-test af te nemen, aldus eiser.
9. Naar het oordeel van de rechtbank wordt eiser niet (de facto) gedwongen de PCR- test af te nemen. Eiser heeft de PCR-test namelijk geweigerd en dat kon en mocht hij ook doen. Hierdoor wordt de lichamelijke integriteit van eiser gewaarborgd. Door het weigeren van de PCR-test heeft eiser echter niet voldaan aan de op hem rustende verplichting om actief en volledige mee te werken aan zijn overdracht. De gevolgen van het weigeren van de PCR-test komen daarom voor risico van eiser zelf. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 april 2022

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.