Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 1 april 2022 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan toezicht.
Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld omdat de bewaring pas zeven dagen voor de geplande vlucht van 8 april 2022 werd ingesteld, terwijl de vluchtdatum al op 9 maart 2022 bekend was. De rechtbank oordeelde dat deze termijn niet onevenredig was en dat verweerder voldoende tijd moest hebben om de overdracht te realiseren.
Verder voerde eiser aan dat verweerder een inspanningsverplichting had om zijn gemachtigde te informeren over de weigering van de PCR-test, wat niet is gebeurd. De rechtbank oordeelde dat deze verplichting niet bij verweerder ligt, maar bij de gemachtigde om eiser te informeren over de gevolgen.
Ten slotte stelde eiser dat hij door de bewaring feitelijk werd gedwongen de PCR-test af te nemen, wat in strijd zou zijn met zijn lichamelijke integriteit. De rechtbank stelde dat weigering van de PCR-test toegestaan is, maar dat de gevolgen daarvan voor risico van eiser zijn omdat hij niet meewerkt aan zijn overdracht.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.