Eisers, wonend en werkzaam naast het perceel, stelden beroep in tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland om een omgevingsvergunning te verlenen aan derde-partij voor huisvesting van maximaal 16 arbeidsmigranten in een kantoorpand voor tien jaar. Het gebruik was planologisch strijdig, maar verweerder stelde dat het in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening en dat het om shortstay/logies ging.
De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende waarborgde dat het gebruik beperkt bleef tot shortstay, omdat de toezegging van derde-partij niet afdwingbaar was. Daarom werd het besluit op dit punt vernietigd en voegde de rechtbank zelf het voorschrift toe dat de maximaal aaneengesloten verblijfsduur vier maanden bedraagt.
Verder was er een motiveringsgebrek over geluidseffecten op de bedrijven van eisers. Verweerder stelde dat het gebouw geen woning was in de zin van de Wet Geluidhinder en dat de geluidnormen niet van toepassing waren. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat de geluidbelasting niet zodanig was dat de goede ruimtelijke ordening werd geschonden. Ook werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen omdat er geen gelijke gevallen waren.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit, voegde het voorschrift toe, en liet de overige rechtsgevolgen in stand. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.