ECLI:NL:RBDHA:2022:11938
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij aanvraag verblijfsvergunning familie- of gezinslid
Verzoekster, van Surinaamse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij haar moeder in Nederland op grond van artikel 8 EVRM Pro. De aanvraag werd afgewezen omdat zij geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) had en niet voldeed aan de vrijstelling van het mvv-vereiste. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig is omdat het bestreden besluit geen rechtmatig verblijf toekent en uitzetting niet kan worden uitgesloten. Verzoekster voerde onder meer aan dat het besluit in strijd is met de Emancipatiewet en dat verweerder onvoldoende belangenafweging heeft gemaakt op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De rechter verwierp het beroep op de Emancipatiewet omdat deze geen verblijfsrecht garandeert. Ook concludeerde de rechter dat verweerder wel degelijk de familiebanden heeft meegewogen en dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van hechte persoonlijke banden die een andere belangenafweging rechtvaardigen. De hardheidsclausule werd niet van toepassing geacht. Ten slotte werd geoordeeld dat verweerder niet verplicht was verzoekster te horen op grond van de Emancipatiewet. Het bezwaar had geen redelijke kans van slagen en de voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een redelijke kans van slagen en onvoldoende onderbouwing van de gronden.