Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2022:1203

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2022
Publicatiedatum
17 februari 2022
Zaaknummer
FT RK 21/1039 en 1040
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord in problematische schuldensituatie

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van een schuldenaar die zich in een problematische schuldensituatie bevindt en een schuldregeling aan zijn schuldeisers heeft aangeboden. Hoewel zes van de zeven schuldeisers akkoord gingen, weigerde één schuldeiser, die een vordering van ruim vijfduizend euro had, mee te werken. De schuldenaar verzocht de rechtbank om een dwangakkoord op te leggen zodat het akkoord bindend wordt.

De rechtbank stelde vast dat de schuldbemiddeling door een bevoegde instantie, de gemeente, was uitgevoerd en dat het voorstel goed gedocumenteerd was. Bij de belangenafweging oordeelde de rechtbank dat het voorstel het maximaal haalbare was gezien de financiële en medische situatie van de schuldenaar. De schuldregeling levert een beter resultaat op voor alle schuldeisers dan de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).

De rechtbank vond het onredelijk dat de schuldeiser haar medewerking bleef weigeren, mede omdat de meerderheid van de schuldeisers het akkoord had aanvaard en de schuld aan de weigerende schuldeiser al was afgenomen. Het verzoek tot oplegging van het dwangakkoord werd daarom toegewezen en het verzoek tot toelating tot de WSNP afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank legt een dwangakkoord op en beveelt de schuldeiser in te stemmen met de schuldregeling.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummers: C/09/623022 / FT RK 21/1039 en C/09/623023 / FT RK 21/1040
vonnis van 17 februari 2022
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode en woonplaats],
hierna: [verzoeker],
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
hierna: [verweerster].
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij een deel van de vorderingen wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De feiten waar de rechtbank van uit gaat

1.1.
[verzoeker] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 48.141,97 aan zeven schuldeisers. Het is [verzoeker] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de gemeente Gouda heeft hij op 12 augustus 2021 een schuldregeling aangeboden (prognoseakkoord). Dit voorstel houdt in dat over een periode van 36 maanden aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering wordt aangeboden van 7,44% en aan de gewone schuldeisers een uitkering van 3,72%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen. Deze percentages zijn gebaseerd op de afloscapaciteit van [verzoeker] op basis van zijn inkomen en kunnen eventueel hoger of lager uitvallen.
1.2.
[verweerster] is als enige schuldeiser niet akkoord gegaan met het voorstel. Volgens het aangeleverde schuldenoverzicht heeft [verzoeker] een schuld aan [verweerster] van € 5.929,18. Dat is 12,32% van de totale schuldenlast. Doordat er voor deze vordering beslag is gelegd op het inkomen van [verzoeker] , is er inmiddels op afgelost. De vordering van [verweerster] bedraagt nu nog € 4.073,66. Dat is 8,46% van de totale schuldenlast.
1.3.
De overige zes schuldeisers hebben het aanbod aanvaard.
1.4.
Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] op 29 december 2021 bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil hij dat de rechtbank [verweerster] dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil hij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).

2.De procedure

2.1.
De verzoeken van [verzoeker] zijn behandeld op de zitting van 10 februari 2022. Op deze zitting verschenen:
- [verzoeker] ,
- [X] en [Y], beiden schuldhulpverlener van de gemeente [woonplaats],
- [Z], beschermingsbewindvoerder,
- [verweerster], vergezeld door haar partner.

3.Standpunten van partijen

3.1.
[verzoeker] stelt dat het onredelijk is dat [verweerster] het aanbod niet aanvaardt. Volgens hem heeft hij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden en kan hij niet meer aanbieden dan hij heeft gedaan.
3.2.
[verweerster] heeft ter zitting verklaard dat zij niet heeft ingestemd met de aangeboden schuldregeling omdat zij dacht dat het om kinderalimentatie ging. Zij vindt dat zij, als moeder, niet kan instemmen met een voorstel waarbij wordt afgezien van een groot deel van deze alimentatie. Nu haar is gebleken dat de vordering geen kinderalimentatie maar partneralimentatie betreft, refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.De beoordeling van de verzoeken

4.1.
De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] om een dwangakkoord op te leggen toe. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie en ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat [verweerster] weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
Bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de gemeente [woonplaats]. Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarde, namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich drie jaar lang maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen van een (groot) deel van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van de verzoeker zelf, van de weigerende schuldeiser(s) en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier op zijn plaats is.
[verzoeker] heeft het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.6.
Het voorstel dat [verzoeker] aan zijn schuldeisers heeft gedaan is het maximaal haalbare. Een beter voorstel is niet mogelijk. [verzoeker] heeft (ernstige) gezondheidsklachten. Hij ontvangt daarom een uitkering krachtens de Ziektewet van het UWV en is vanwege zijn medische problematiek niet in staat meer dan twee tot drie dagen per week te werken. [verzoeker] is via het UWV in aanmerking gekomen voor een proefplaatsing als beveiliger bij een potentiële werkgever en werkt inmiddels zoveel als in medisch opzicht mogelijk is, met behoud van zijn uitkering. De verwachting is dat [verzoeker] op korte termijn in dienst kan treden bij deze werkgever. Voor dit werk heeft [verzoeker] een auto nodig, dat blijkt ook uit de ter zitting overlegde verklaring van de werkgever. [verzoeker] heeft sinds 6 mei 2020 beschermingsbewind en de financiële positie is stabiel. Er ontstaan geen nieuwe schulden en de vaste lasten worden betaald.
De schuld aan [verweerster] is afgenomen en de regeling is in het belang van alle schuldeisers
4.7.
Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat het dwangakkoord voor alle schuldeisers tot een gunstiger resultaat leidt dan de WSNP. Dat geldt dus ook voor [verweerster] . Toepassing van de WSNP leidt tot hoge kosten, doordat de vergoeding van de bewindvoerder uit het gespaarde saldo wordt voldaan. Hierdoor blijft geen uitkering voor de schuldeisers over. In de aangeboden schuldregeling houdt de gemeente [woonplaats] gedurende de looptijd toezicht op de inkomsten en uitgaven van [verzoeker] , zodat gewaarborgd is dat het maximaal haalbare bedrag zal worden uitgekeerd aan de schuldeisers. Van het bedrag dat [verzoeker] spaart, worden de kosten voor schuldbemiddeling afgetrokken. De kosten voor schuldbemiddeling zijn minder hoog dan die van een bewindvoerder in een WSNP traject. Hierdoor kan er in dit traject wel een bedrag aan de schuldeisers worden uitgekeerd.
4.8.
Door middel van een beslag op zijn inkomsten heeft [verzoeker] inmiddels geruime tijd afgelost op zijn schuld aan [verweerster] . De schuld aan [verweerster] is daarom afgenomen van 12,32% (ten tijde van het voorstel als bedoeld onder 1.1.) tot 8,46 % van de totale schuldenlast. De meerderheid van de schuldeisers, die samen 91,54% van de totale schuldenlast vertegenwoordigt, heeft ingestemd met de aangeboden schuldregeling. Nu het voorstel het maximaal haalbare is en voor de schuldeisers het meeste oplevert, is de rechtbank van oordeel dat [verweerster] in redelijkheid niet (langer) haar medewerking aan het aangeboden voorstel kan onthouden. De belangen van deze schuldeisers wegen, mede vanwege hun gezamenlijke omvang, zwaarder dan dat van [verweerster] . Overigens heeft [verweerster] haar standpunt ten aanzien van het aangeboden akkoord inmiddels heeft gewijzigd in die zin, dat zij zich vanwege de haar nu gebleken aard van haar vordering en de fysieke gesteldheid van [verzoeker] neerlegt bij de beslissing van de rechtbank.
Het WSNP-verzoek is niet langer aan de orde
4.9.
Omdat het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt toegewezen, heeft [verzoeker] geen belang meer bij zijn verzoek om te worden toegelaten tot de WSNP. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt [verweerster] in te stemmen met de onder 1.1 bedoelde schuldregeling;
- wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.
Dit is de beslissing van mr. R.G.C. Veneman, rechter, in samenwerking met F.J. Knaap LL.B., griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2022.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die in het ongelijk is gesteld gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.