AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling recht op IVA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid wegens fibromyalgie en psychische klachten
Eiseres, arbeidsongeschikt sinds 2014 door fibromyalgie en psychische klachten, kreeg haar WIA-uitkering beëindigd in twee besluiten van 2020 en 2021, waartegen zij bezwaar en beroep instelde. De rechtbank benoemde deskundigen die een gecombineerd psychiatrisch verzekeringsgeneeskundig onderzoek verrichtten. Op basis van hun rapporten besloot verweerder het bezwaar deels gegrond te verklaren en de WIA-uitkering te continueren met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Eiseres stelde dat haar arbeidsongeschiktheid duurzaam is en zij recht heeft op een IVA-uitkering. De deskundigen en verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerden echter dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is, omdat een multidisciplinaire behandeling verbetering kan brengen. Eiseres weigerde deze behandeling en voerde aan dat deze te belastend zou zijn, maar leverde geen medische onderbouwing voor haar standpunt.
De rechtbank volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om daarvan af te wijken. De beroepen tegen de besluiten die de WIA-uitkering beëindigden werden gegrond verklaard en vernietigd, terwijl het beroep tegen het besluit dat de uitkering continuëerde ongegrond werd verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten die de WIA-uitkering beëindigen en wijst het verzoek om een IVA-uitkering af wegens onvoldoende duurzaamheid.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 21/50 en SGR 21/7834
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).
Procesverloop
SGR 21/50
In het besluit van 10 januari 2020 (primair besluit 1) heeft verweerder de uitkering die eiseres op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangt vanaf 11 maart 2020 beëindigd.
In het besluit van 24 november 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2021. Eiseres is samen met haar echtgenoot verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend en bepaald dat verzekeringsarts K.C. Rammeloo en psychiater M. van Beem (hierna: de deskundigen) als deskundigen worden benoemd voor het instellen van een gecombineerd psychiatrisch verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de gezondheidssituatie van eiseres. Op 26 april 2022 hebben zij aan de rechtbank gerapporteerd.
Bij brief van 17 mei 2022 heeft verweerder op het rapport gereageerd.
Bij brief van 20 mei 2022 heeft eiseres op het rapport gereageerd.
SGR 21/7834
In het besluit van 7 mei 2021 (primair besluit 2) heeft verweerder geweigerd om aan eiseres per 29 oktober 2020 een WIA-uitkering toe te kennen.
In het besluit van 27 oktober 2021 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen bestreden besluit 2 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
SGR 21/50 en SGR 21/7834
Verweerder heeft op 31 mei 2022 een gewijzigd besluit op bezwaar (bestreden besluit 3) genomen waarbij het bezwaar tegen primair besluit 1 gegrond is verklaard. Hierbij is meegedeeld dat de WIA-uitkering van eiseres per 11 maart 2020 én per 29 oktober 2020 onveranderd doorloopt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Eiseres heeft op 20 juni 2022 een zienswijze op het gewijzigde besluit ingediend.
Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 3 augustus 2022 uitgebracht.
De deskundigen hebben op verzoek van de rechtbank op 1 september 2022 nader gerapporteerd.
Beide partijen hebben op het nadere rapport gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat nader onderzoek ter zitting
achterwege blijft, waarna het onderzoek op 10 november 2022 is gesloten.
Overwegingen
Wat vooraf ging aan deze procedures.
1. Eiseres werkte als huishoudelijk hulp voor gemiddeld 12,89 uur per week bij [werkgever] (werkgever). Zij is op 5 april 2014 uitgevallen voor dit werk met lichamelijke klachten. Er is sprake van een chronisch pijnsyndroom als gevolg van fibromyalgie. Eiseres heeft ook last van psychische klachten, waaronder angst- en stemmingsklachten. Ook is sprake van verlammingsverschijnselen aan het gezicht. Eiseres is ziek uit dienst gegaan, maar er heeft geen ziekmelding plaatsgevonden. Verweerder heeft aan eiseres over de periode van 1 september 2014 tot en met 3 april 2016 met terugwerkende kracht een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Met ingang van 29 maart 2017 is aan eiseres een loongerelateerde WGA-uitkering [1] op grond van de Wet WIA toegekend. Met ingang van 29 augustus 2018 is deze uitkering beëindigd en is aan eiseres een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend.
Bestreden besluit 1, 2 en 3.
2. Verweerder heeft eind 2019 de arbeidsongeschiktheid van eiseres opnieuw beoordeeld. Op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek heeft verweerder primair besluit 1 genomen, waarin eiseres is meegedeeld dat zij vanaf 11 maart 2020 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld tegen dat besluit.
3. Eiseres heeft zich hierna toegenomen arbeidsongeschikt gemeld, waarna opnieuw een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek is verricht. Hierna heeft verweerder primair besluit 2 genomen waarbij geweigerd is om per 29 oktober 2020 aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld tegen dat besluit.
4. Naar aanleiding van het eerste rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundigen heeft verweerder bestreden besluit 3 genomen. Verweerder heeft het bezwaar tegen primair besluit 1 en 2 alsnog gegrond verklaard. Besloten is om de WIA-uitkering van eiseres per 11 maart 2022 en per 29 oktober 2022 ongewijzigd te continueren, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Zienswijze van eiseres.
5. Eiseres heeft in haar zienswijze naar voren gebracht dat zij het eens is met de continuering van de WIA-uitkering. Zij vindt echter dat haar volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is en dat zij daarom recht heeft op een IVA-uitkering [2] .
Reactie van verweerder.
6. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder de verzekeringsarts b&b laten onderzoeken of de arbeidsongeschiktheid van eiseres duurzaam is. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport van 3 augustus 2022 gemotiveerd aangegeven dat hiervan geen sprake is. Hij verwijst in dit verband naar het behandeladvies zoals dat staat vermeld in het rapport van de deskundigen. Verwacht mag worden dat met name de beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en in de rubriek werktijden nog zullen afnemen.
Tweede rapport van de deskundigen.
7. De rechtbank heeft vervolgens de deskundigen een onderzoek laten verrichten naar de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van eiseres. Uit het rapport volgt dat eiseres voor haar klachten behandeld kan worden in een gespecialiseerd behandelcentrum. Die behandeling zal bestaan uit een combinatie van psycho-educatie, cognitieve gedragstherapie, eventueel met medicamenteuze ondersteuning, en fysiotherapie of een andere vorm van begeleide opbouw van activiteiten en beweging. Van een dergelijke multidisciplinaire behandeling kan het eerstkomende jaar een verbetering van het dagelijks functioneren worden verwacht. Ook kan belastbaarheid voor arbeid ontstaan. In aanvang zal eiseres kunnen oefenen met lichtere vormen van activiteiten en werk en deze stapsgewijs opbouwen, waarvoor mogelijk een langere termijn nodig is. De deskundigen doen de suggestie voor een behandeling van eiseres bij Altrecht Psychosomatiek Eikenboom.
Reacties van partijen op het tweede rapport.
8. Op basis van het tweede rapport volhardt verweerder in zijn standpunt dat eiseres geen recht heeft op een IVA-uitkering.
9.1
Eiseres kan zich - kort samengevat - niet verenigen met het door de deskundige geboden behandeladvies. Zij is van mening dat zij de intensiteit van de behandeling niet aan kan. Ook heeft zij gehoord dat een dergelijke intensieve behandeling zoals bij Altrecht, te belastend zou zijn voor haar gezondheid en daarom juist averechts zal werken. Eiseres heeft daarnaast veel negatieve ervaringen gehoord van patiënten die behandeld zijn bij Altrecht. Eiseres weigert een klinische opname. Bij gebrek aan een verdere onderbouwing van de mogelijkheden van behandeling stelt eiseres zich op het standpunt dat zij in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Zij verwijst in dit verband naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. [3]
9.2
Zij wenst in beroep ook te benadrukken dat haar psychische problemen zijn ontstaan door lichamelijke problemen en niet andersom. Zij wijst er in dit verband op dat de diagnose “conversiestoornis” in de DSM-5 inmiddels is aangepast naar “functioneel neurologisch syndroom”.
Beoordeling door de rechtbank.
10. Nu verweerder bestreden besluit 1 en 2 niet langer handhaaft, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard en bestreden besluit 1 en 2 te worden vernietigd.
11. Bestreden besluit 3 vormt een nieuwe beslissing op bezwaar. Nu dit besluit niet volledig tegemoet komt aan de bezwaren van eiseres wordt dit besluit, gelet op het bepaalde in artikel 6:19 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.
12. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van eiseres op 11 maart 2020 en op 29 oktober 2020 (de data in geding) als duurzaam moet worden aangemerkt, waarmee eiseres zou voldoen aan de voorwaarden van een IVA-uitkering.
13. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
14. Volgens vaste rechtspraak [4] dient het oordeel van de door de rechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige te worden gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van dat oordeel af te wijken. Het is namelijk bij uitstek de taak van de deskundige om bij verschil van inzicht tussen partijen over de medische beperkingen een beslissend advies te geven.
15. Het (tweede) rapport van de deskundigen geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundigen hebben op heldere wijze gemotiveerd welke behandeling eiseres kan ondergaan en welke verbetermogelijkheden dat kan opleveren. Er zijn geen bijzondere omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport niet te volgen. Dat eiseres de voorgestelde (klinische) behandeling niet wil ondergaan, levert een dergelijke bijzondere omstandigheid niet op. Ook overigens kan dit geen rol van betekenis spelen bij de beantwoording van de vraag die voorligt in deze zaak. Eiseres heeft geen medische onderbouwing gegeven van haar standpunt dat de door de deskundigen voorgestelde behandeling bij haar blijvende schade door overbelasting kan opleveren. De door eiseres in de brief van 11 oktober 2022 geciteerde toelichting over post-exertionele mailaise kan hiertoe niet dienen omdat de hierin vermelde informatie geen betrekking heeft op eiseres zelf. Daarbij komt dat deze toelichting betrekking heeft op ME/CVS, een diagnose die door de deskundigen niet is gesteld. In wat eiseres naar voren heeft gebracht is daarom onvoldoende aanleiding te vinden om de deskundigen niet te volgen. De beslissing om geen IVA-uitkering toe te kennen per de data in geding is met dit alles voldoende gemotiveerd.
Conclusie.
16. Het beroep gericht tegen bestreden besluit 3 slaagt niet. Daarom verklaart de rechtbank dit beroep ongegrond.
17. Omdat de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluit 1 en 2 gegrond acht, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar in beide zaken betaalde griffierecht vergoedt.
18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hierbij gaat om het de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In de zaak SGR 21/50 gaat het om 0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke zienswijze na het verslag van het (eerste) deskundigenonderzoek. In de zaak SGR 21/7834 gaat het om 1 punt voor het indienen van het beroepschrift. Per punt is de waarde € 759,-, met een wegingsfactor 1. In totaal gaat het om een bedrag van € 1.138,50 aan proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 november 2020 (bestreden besluit 1) gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2021 (bestreden besluit 2) gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 mei 2022 (bestreden besluit 3) ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 98,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.138,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van S.J.W. Stort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.