De werkneemster viel in 2009 uit wegens ziekte en ontving een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 73%. Na een herbeoordeling door het UWV werd de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld, waarop zowel de werkgever als de werkneemster bezwaar maakten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de werkneemster geschikt was voor de functie van postbesteller en beroepsmatig autorijden.
In hoger beroep herhaalde de werkgever dat de werkneemster ernstiger beperkt was, met een maximale belastbaarheid van 1,5 uur per dag en ongeschiktheid voor beroepsmatig autorijden. Een door de Raad ingeschakelde onafhankelijke neuroloog concludeerde dat de werkneemster door Parkinson en CIDP ernstige beperkingen had, waaronder forse vermoeidheid en motorische stoornissen, waardoor zij niet langer dan 1,5 uur per dag kon werken en waarschijnlijk niet veilig beroepsmatig kon autorijden.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep vond een beperking tot vier uur per dag voldoende en zag geen noodzaak voor rijbeperkingen. De Raad volgde echter het rapport van de onafhankelijke deskundige, oordeelde dat het UWV-besluit onvoldoende gemotiveerd was en dat de werkneemster ten onrechte geschikt werd geacht voor beroepsmatig autorijden.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en beval het UWV binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de lagere urenbeperking en rijongeschiktheid. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De Raad bepaalde dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij hem kan worden ingesteld.