ECLI:NL:RBDHA:2022:12082
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende medische noodzaak en gebrek aan ernstige bedreiging
Eiser vroeg bij het college van burgemeester en wethouders van Gouda een urgentieverklaring aan vanwege overlast, intimidatie en medische problemen die verergeren door zijn woonsituatie. Het primaire besluit en het bestreden besluit wezen de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van de Huisvestingsverordening Gouda 2019 (Hvv).
Eiser stelde in beroep dat zijn klachten en bedreigingen ernstig zijn en dat het GGD-advies geen recht doet aan zijn medische situatie. Hij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige en toepassing van de hardheidsclausule. De rechtbank oordeelde dat verweerder beoordelingsvrijheid heeft en het beleid terughoudend getoetst moet worden.
De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake is van ernstige bedreiging of geweld, mede omdat meldingen en aangiften hierover ontbreken en verklaringen tegenstrijdig zijn. Het GGD-advies was zorgvuldig en objectief, en concludeerde dat er geen medische noodzaak voor urgentie is. De hardheidsclausule is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen en werd terecht niet toegepast.
Het beroep werd ongegrond verklaard. De rechtbank vond geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige of voor het toepassen van de hardheidsclausule. De beslissing van verweerder om de urgentieverklaring te weigeren werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.