ECLI:NL:RBDHA:2022:12276

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 november 2022
Publicatiedatum
18 november 2022
Zaaknummer
NL22.22066
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 sub a VwArt. 5.1b lid 1, 3 en 4 VreemdelingenbesluitArt. 59 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring wegens risico op onttrekking aan toezicht afgewezen

Eiser, een persoon met een Rwandese paspoort die stelt Congolese nationaliteit te hebben, werd geconfronteerd met een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vanwege het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken.

De staatssecretaris baseerde de maatregel op zware gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnenkomen, onvoldoende medewerking aan het vaststellen van identiteit en nationaliteit, en het uiten van de intentie niet terug te keren. Eiser betwistte enkele van deze gronden, met name zijn nationaliteit en het risico op onttrekking.

De rechtbank oordeelde dat de feiten zoals het gebruik van een vals paspoort en het niet meewerken aan het vaststellen van identiteit feitelijk juist zijn en dat het risico op onttrekking voldoende is onderbouwd. De betwiste gronden konden daarom niet slagen.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.22066

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is via beeldverbinding verschenen, bijgestaan door mr. P.H. van Akenborgh als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Rutayoberana. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is blijkens zijn echt-bevonden Rwandese paspoort stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en van Rwandese nationaliteit [1] .
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware 3a, 3c en 3d, en stelt daartoe het volgende. Er bestaat geen risico op onttrekking. Eiser verblijft in een AZC en heeft zich altijd gehouden aan de meldplicht. Eiser is daarnaast vluchteling. Inherent daaraan is dat hij niet op voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Eiser kan voorts niet voldoen aan zijn vertrekplicht. Eiser heeft namelijk niet de Rwandese nationaliteit maar de Congolese. Eiser kan geen paspoort verkrijgen om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen.
4. Uit de uitspraak van de Afdeling [2] van 25 maart 2020 [3] volgt dat om de zware gronden 3a en 3d aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, verweerder kan volstaan met een toelichting die feitelijk juist is. Vaststaat dat eiser Nederland is ingereisd met een – naar eigen zeggen – vals paspoort, met daarin een verlopen visum. Eiser is dan ook niet op rechtmatige wijze Nederland binnengekomen. Dat eiser stelt dat hij als vluchteling is ingereisd, doet aan de feitelijke juistheid van de grond niet af. Daarnaast is feitelijk juist dat eiser onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit daar eiser geen inspanningen heeft verricht om zijn identiteit en Congolese nationaliteit aan te tonen. Gelet daarop kan de beroepsgrond van eiser dat hij niet kan voldoen aan zijn vertrekplicht omdat hij afkomstig is uit Congo en niet zoals verweerder stelt uit Rwanda, eveneens niet slagen.
5. De zware grond 3i heeft eiser niet betwist. Niet in geschil is dat eiser te kennen heeft gegeven niet te willen terugkeren. Deze grond is daarmee voldoende gemotiveerd aan de maatregel ten grondslag gelegd. De zware gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom dragen. De beroepsgronden gericht tegen de lichte gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Eiser stelt zelf te zijn Eric Mukwiza, geboren op 7 maart 1989 en van Congolese nationaliteit.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.