ECLI:NL:RBDHA:2022:12340

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 november 2022
Publicatiedatum
21 november 2022
Zaaknummer
NL22.20083
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 13 Dublin III-verordeningArt. 4 lid 3 Dublin III-verordening
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Zweden

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublin-verordening.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er nog geen beslissing is genomen op het asielverzoek in Zweden. Eiseres vreesde indirect refoulement vanwege een fundamenteel verschil in het beschermingsbeleid tussen Nederland en Zweden voor Somaliërs.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft geleverd om aan te tonen dat het beschermingsbeleid in Zweden evident en fundamenteel verschilt van dat in Nederland. De aangevoerde statistieken waren onvoldoende om te concluderen dat zij in Zweden geen bescherming zou krijgen. Tevens bleek uit de overgelegde informatie dat Somalische asielzoekers in Zweden niet worden uitgezet naar Somalië.

Verder oordeelde de rechtbank dat eiseres zich bij problemen tot Zweedse autoriteiten of NGO's kan wenden en dat de medische voorzieningen in Zweden vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Er waren geen bijzondere individuele omstandigheden die rechtvaardigen dat de staatssecretaris de behandeling van de asielaanvraag aan zich zou trekken.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Zweden is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.20083
v-nummers: [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] eiseres

Mede namens haar minderjarige kinderen
[naam 2] en [naam 3],
(gemachtigde: mr. M.M.A.F.C. Lienaerts),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.20084, op 10 november 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M.A. Hersi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Alhoewel eiseres zelf in de veronderstelling was dat er al op haar verzoek om internationale bescherming in Zweden was beslist, is in dit geval vast komen te staan dat er nog geen beslissing is genomen op haar verzoek om internationale bescherming in Zweden.
2. Eiseres heeft aangevoerd dat zij vreest voor indirect refoulement, omdat er een evident en fundamenteel verschil is tussen het beschermingsbeleid voor Somaliërs in Nederland en Zweden.
3. Volgens vaste rechtspraak [1] kan een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid ertoe leiden dat moet worden aangenomen dat wegens dit verschil in beschermingsbeleid sprake is van een fundamentele systeemfout, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt in de zin van het Jawo-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. [2]
4. Het ligt op de weg van eiseres om concrete aanknopingspunten aan te dragen waaruit volgt dat het beschermingsbeleid in de verantwoordelijke lidstaat evident en fundamenteel verschilt van het beleid dat door de Nederlandse autoriteiten wordt gevoerd. Hierin is eiseres niet geslaagd. De in de beroepsgronden genoemde percentages van het aantal inwilligingen op asielaanvragen van Somaliërs in Zweden en Nederland is onvoldoende voor de conclusie dat een vreemdeling in de verantwoordelijke lidstaat op grond van het algemene beschermingsbeleid geen internationale bescherming krijgt, terwijl hij dat in Nederland in beginsel wel krijgt. Ook zijn er geen concrete aanknopingspunten naar voren zijn gebracht waaruit blijkt dat ook de rechter in Zweden eiseres niet zal beschermen tegen refoulement. De enkele verwijzing naar ‘review’ percentages is niet voldoende. Daarbij komt dat uit de informatie die eiseres zelf heeft overgelegd kan worden afgeleid dat Somalische asielzoekers vanuit Zweden niet worden uitgezet naar Somalië. Dat eiseres wellicht ‘refugee in orbit’ zou kunnen worden in Zweden is verder niet relevant voor de gestelde vrees voor indirect refoulement. Verder kan eiseres zich bij voorkomende problemen wenden tot de Zweedse autoriteiten of niet-gouvermentele organisaties.
5. De feiten en omstandigheden zoals eiseres die heeft aangevoerd zijn verder niet van zodanig bijzondere aard dat verweerder in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om wegens bijzondere individuele omstandigheden de behandeling van de asielaanvraag van eiseres aan zich te trekken. Het is verder aan eiseres om toestemming te geven voor het verstrekken van de medische dossiers van haar kinderen in het kader van de geplande overdracht. Daarbij komt dat de medische voorzieningen van Zweden vergelijkbaar zijn met die in Nederland.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1864.
2.ECLI:EU:C:2019:218.