ECLI:NL:RBDHA:2022:12348
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing of wijziging van voorlopige voorziening in bestuursrechtelijke zaak
In deze bestuursrechtelijke zaak verzoekt de verzoekster de voorzieningenrechter om opheffing of wijziging van een eerder op 16 september 2022 getroffen voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening kan worden opgeheven of gewijzigd, maar dat opheffing met terugwerkende kracht volgens vaste jurisprudentie niet mogelijk is.
De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT0655) waarin dit is bevestigd. Het subsidiaire verzoek om de voorlopige voorziening zodanig te wijzigen dat deze als niet getroffen moet worden beschouwd, wordt eveneens afgewezen omdat dit neerkomt op een opheffing met terugwerkende kracht.
Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond beschouwd en afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat opheffing met terugwerkende kracht niet mogelijk is.