De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van zijn bijstandsuitkering over de periode mei tot en met oktober 2019. Het college van burgemeester en wethouders had op 4 mei 2020 besloten tot terugvordering van een bedrag dat volgens eiser te hoog was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tijdig was ingediend, ondanks betwisting van eiser over de ontvangst van het besluit. Het college kon de verzending van het besluit niet aannemelijk maken, maar een kopie was op 15 oktober 2020 aan eiser toegezonden, waarna de beroepstermijn startte. Eiser had binnen deze termijn beroep ingesteld.
Inhoudelijk stelde eiser dat het terug te vorderen bedrag te hoog was en onvoldoende was gespecificeerd. De rechtbank vond het bedrag van € 2.995,45, na verrekening van vakantietoeslag en inhoudingen, voldoende onderbouwd en bevestigd door eiser op de zitting. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de terugvordering bleef in stand. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.