Betrokkene vroeg op 11 november 2016 wijziging van een zorgindicatie aan bij het CIZ. Bij besluit van 23 november 2016 werd de indicatie vastgesteld, maar betrokkene overleed op 29 november 2016. Op 27 februari 2017 werd bezwaar gemaakt tegen het besluit. Het CIZ verklaarde het bezwaar bij besluit van 15 augustus 2017 niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend, uitgaande van verzending op 23 november 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het besluit wel tijdig was verzonden en ontvangen. Appellanten betwistten dit in hoger beroep en stelden dat het besluit pas op 5 februari 2017 was ontvangen, waardoor het bezwaar tijdig was ingediend.
De Raad oordeelde dat het CIZ niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit op 23 november 2016 was verzonden, aangezien geen registratie van verzending bestond en er geen contra-indicaties waren die een eerdere ontvangst aannemelijk maakten. Hierdoor werd aangenomen dat het besluit kort voor 5 februari 2017 was verzonden en het bezwaar tijdig was ingediend.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg het CIZ op opnieuw op het bezwaar te beslissen, waarbij tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Tevens werd het CIZ veroordeeld in de proceskosten.