Eisers hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun asielaanvragen van maart 2021. Nadat verweerder in mei 2022 alsnog op de aanvragen heeft beslist, handhaafden eisers hun beroepen tegen het ontbreken van bestuurlijke dwangsommen. De rechtbank overweegt dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND de toepassing van de artikelen 4:17 tot en met 4:19 Awb op asielaanvragen uitsluit, waardoor geen bestuurlijke dwangsommen kunnen worden verbeurd.
Eisers stelden dat deze uitsluiting strijdig is met het Unierecht, met name het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. De rechtbank volgt echter het oordeel dat de asielprocedure een specifiek karakter heeft dat wezenlijk verschilt van andere bestuursrechtelijke procedures, waardoor de uitsluiting niet leidt tot ongunstigere procedurevoorschriften. Ook wordt het recht op internationale bescherming niet onaanvaardbaar bemoeilijkt.
De rechtbank concludeert dat het procesbelang ontbreekt nu de asielaanvragen zijn ingewilligd en de bestuurlijke dwangsomregeling niet van toepassing is. De beroepen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard. Wel veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eisers, vastgesteld op €379,50, vanwege de eerdere niet-tijdige besluitvorming.