ECLI:NL:RBDHA:2022:12511

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juni 2022
Publicatiedatum
24 november 2022
Zaaknummer
C/09/630041 / KG RK 22-662
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens vermeende partijdigheid in familierechtzaak

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. L. Koper, rechter in een familierechtzaak, omdat de rechter een gesprek uitnodigde zonder eerst de schriftelijke reactie van verzoeker af te wachten. Verzoeker stelde dat hiermee het beginsel van hoor en wederhoor werd geschonden en dat de rechter partijdig was.

De wrakingskamer oordeelde dat de beslissing van de rechter een procedurele aard had en dat een procedurele beslissing op zichzelf geen grond voor wraking kan zijn, tenzij deze onmiskenbaar wijst op vooringenomenheid. De kamer stelde vast dat de rechter weliswaar van haar eigen voorgestelde procedure was afgeweken, maar dat dit niet objectief als vooringenomenheid kon worden gezien.

De kamer concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid opleverden. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de hoofdzaak werd voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2022/34
zaak- /rekestnummer: C/09/630041 / KG RK 22-662
Beslissing van 27 juni 2022
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. L. Koper,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 27 mei 2022;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 8 juni 2022.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- verzoeker;
- mr. L. Koper, de rechter.
Als toehoorder was aanwezig [belanghebbende] , belanghebbende in de hoofdzaak.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 627074 / FA RK 22/1870 tussen verzoeker en [belanghebbende] . In deze zaak is door de rechter op 17 mei 2022 aan verzoeker en [belanghebbende] een brief gestuurd, waarin zij in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren. [belanghebbende] heeft op 20 mei 2022 per e-mail gereageerd. Verzoeker heeft op 23 mei 2022 per post een reactie verstuurd. Op 24 mei 2022 heeft de rechter een uitnodiging voor een gesprek aan verzoeker en [belanghebbende] gestuurd. Daarbij is afgeweken van de door de rechter zelf voorgestelde procedure, nu de uitnodiging is gestuurd naar aanleiding van de e-mail van [belanghebbende] en zonder de brief van verzoeker daarbij te hebben betrokken.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Verzoeker is het niet eens met de beslissing van de rechter om verzoeker en belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek, zonder de schriftelijke reactie van verzoeker af te wachten. Door op deze manier te handelen, is de rechter aan het beginsel van hoor en wederhoor voorbij gegaan. Hieruit blijkt volgens verzoeker dat de rechter partijdig is.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en zij heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2.
De wrakingskamer overweegt dat de beslissing van de rechter om verzoeker en de belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek, zonder daarbij de brief van verzoeker afgewacht te hebben, een procedurele beslissing betreft.
3.3.
Een procedurele beslissing kan geen grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van een procedurele beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, dat is gebaseerd op de hiervoor genoemde procedurele beslissingen, niet toewijsbaar is. Dit is alleen anders indien de motivering van een procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt onmiskenbaar dat het om een uitzonderlijk geval moet gaan. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is hier naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake.
3.4.
De wrakingskamer stelt vast dat de rechter is afgeweken van de door haar zelf voorgestelde procedure. Ook heeft zij ter zitting meegedeeld dat zij wel kennis heeft genomen van de brief van verzoeker van 23 mei 2022. Zij had op dat moment echter haar brief aan partijen in de hoofdzaak, opgesteld naar aanleiding van de reactie van belanghebbende en die de rechtbank op 24 mei 2022 heeft verzonden, al intern ter verzending aangeboden. Zij heeft ervoor gekozen die brief niet ‘terug te halen’ en aan te passen naar aanleiding van de brief van verzoeker. Hoewel deze gang van zaken onwenselijk en voor verzoeker niet kenbaar is geweest, kan niet worden gezegd dat de beslissing van de rechter bij haar brief van 24 mei 2022 naar objectieve maatstaven niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter. Partijen in de hoofdzaak zijn blijkens de brief immers uitgenodigd voor een gesprek en uit niets blijkt dat de rechter daarbij jegens verzoeker vooringenomen was of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd was. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de Raad voor de Kinderbescherming is gevraagd bij dit gesprek aanwezig te zijn, waarbij de rechter de voor die aanwezigheid gebruikelijke procedure heeft gevolgd.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:
• de verzoeker;
• de rechter;
• [belanghebbende] .
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. Alt-van Endt, voorzitter, mrs. E.A.W. Schippers en M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2022.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.