ECLI:NL:RBDHA:2022:12583
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering verlenging verblijfsvergunning regulier op niet-tijdelijke humanitaire gronden wegens verplaatsing hoofdverblijf
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende werknemer, verzocht om verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier op niet-tijdelijke humanitaire gronden. De staatssecretaris weigerde dit omdat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland had gevestigd, namelijk in België waar hij in detentie verbleef, en omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden van het middelenvereiste.
Eiser voerde aan dat de detentie niet als verplaatsing van het hoofdverblijf mocht worden aangemerkt en dat het besluit in strijd was met artikel 13 van Pro Besluit 1/80, dat nieuwe beperkingen op de toegang tot werkgelegenheid van Turkse werknemers en hun gezinsleden verbiedt. Tevens beroept hij zich op het arrest Toprak en Oguz van het Hof van Justitie.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen werknemer in de zin van Besluit 1/80 is en dat hij ook geen concreet voornemen tot arbeid in loondienst kon aantonen. De standstill-bepaling van artikel 13 is Pro niet van toepassing op hem. Bovendien is verblijf buiten Nederland vanwege detentie een omstandigheid die leidt tot verplaatsing van het hoofdverblijf. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank wees ook op de jurisprudentie dat rechten op grond van Besluit 1/80 pas ontstaan na minimaal een jaar onafgebroken arbeid, wat eiser niet had bereikt. De weigering van verlenging van de verblijfsvergunning is daarmee terecht genomen.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van verlenging van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.