In deze zaak heeft verzoeker, verdachte in een strafzaak, een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters van de rechtbank Den Haag die betrokken zijn bij de beoordeling van onderzoekswensen met betrekking tot de rechtmatigheid van de verkrijging van SkyECC-data in Frankrijk.
De rechtbank heeft in een tussenbeslissing van 8 september 2022 de onderzoekswensen afgewezen en daarbij uitvoerig gemotiveerd dat de beoordeling voorlopig van aard is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel toepassing vindt. Dit beginsel beperkt de Nederlandse strafrechter tot het waarborgen van een eerlijk proces en sluit toetsing van de rechtmatigheid van het Franse onderzoek uit.
Verzoeker stelde dat de rechtbank niet meer open zou staan voor latere verweren en dat er geen vooruitzicht is op nieuwe relevante informatie, waardoor er een objectieve vrees vooringenomenheid zou bestaan. De wrakingskamer oordeelde echter dat een rechterlijke tussenbeslissing geen grond kan vormen voor wraking en dat de motivering niet anders kan worden uitgelegd dan als een voorlopig oordeel zonder vooringenomenheid.
De wrakingskamer wees het verzoek daarom af en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.