ECLI:NL:RBDHA:2022:12691
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens Dublinoverdracht ongegrond
Eiser, een vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 9 juni 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan een andere lidstaat volgens de Dublinverordening en een significant risico op onderduiken.
Eiser voerde aan dat de staandehouding onrechtmatig was omdat de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's) de functie van medior transportgeleider hadden vermeld, een functie die sinds 2019 niet meer bestaat, en dat er een foutieve datum stond in het proces-verbaal. De rechtbank oordeelde dat dit formele gebreken zijn die de bewaring niet onrechtmatig maken, omdat de boa's bevoegd waren en de datum een kennelijke verschrijving betrof.
Verder werd het bezwaar tegen de inhoudelijke gronden van de bewaring, waaronder het vermeende gebrek aan medewerking aan overdracht aan Zwitserland, verworpen. De rechtbank stelde vast dat eiser tijdens het gehoor had verklaard niet terug te willen keren en dat de zware en lichte gronden voor bewaring terecht waren aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter S.G.M. van Veen op 11 juli 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.