ECLI:NL:RBDHA:2022:12708
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak en niet-ontvankelijkheid in ontnemingsvordering wegens ontbreken strafrechtelijke veroordeling
De rechtbank Den Haag behandelde een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 25.006,15 tegen verdachte. Deze vordering was gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Tijdens de terechtzitting op 15 november 2022 concludeerde het Openbaar Ministerie tot afwijzing van de vordering omdat onvoldoende was komen vast te staan dat verdachte voordeel had genoten.
De verdediging voerde aan dat er geen grondslag was voor de vordering en dat de bedragen in de vordering inconsistent waren met de ten laste gelegde bedragen, onder meer vanwege de betrokkenheid van girale geldbedragen. De rechtbank sprak verdachte vrij van het feit waarop de ontnemingsvordering was gebaseerd.
Omdat ontneming alleen mogelijk is bij een strafrechtelijke veroordeling, oordeelde de rechtbank dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in de ontnemingsvordering. Dit oordeel is in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2009:BG4258). De rechtbank wees de vordering af en sprak verdachte vrij.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken en het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling.