ECLI:NL:RBDHA:2022:12843
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van vrees voor politieke vervolging in Turkije
Eiser, een Turkse staatsburger, vroeg asiel aan in Nederland na een veroordeling wegens drugsbezit die hij betwistte als politiek gemotiveerd vanwege zijn deelname aan Koerdische protesten. Hij stelde ernstig mishandeld te zijn en onterecht veroordeeld op basis van een valse aanklacht.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat het bewijs voor de politieke motivatie van de veroordeling ontbrak en het asielrelaas inconsistent en onvoldoende onderbouwd was. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de veroordeling gebaseerd was op een valse aanklacht en dat er geen gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer bestond.
De rechtbank oordeelde dat deelname aan politieke activiteiten als sympathisant van een Koerdische partij niet automatisch leidt tot vervolging in Turkije. Ook het ontbreken van documenten over mishandeling en ziekenhuisopname en het ontbreken van hoger beroep tegen de veroordeling ondersteunden het oordeel van de rechtbank.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs voor politieke vervolging.