ECLI:NL:RBDHA:2022:1294
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk na ongegrond verklaring beroep verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarbij zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht werd ingetrokken en een inreisverbod werd opgelegd. Het primaire besluit dateert van 10 september 2020. Vervolgens heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit deels gegrond en deels ongegrond verklaard bij besluit van 19 februari 2021.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:83 lid 3 van Pro de Awb zonder zitting. De rechtbank heeft het beroep van verzoeker op dezelfde dag van de uitspraak van de voorlopige voorziening ongegrond verklaard.
Omdat er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer is, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep ongegrond is verklaard en er geen lopende procedure meer is.