ECLI:NL:RBDHA:2022:12969
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging verstrekkingen asielzoeker
Verzoekster, een Iraanse asielzoeker, had haar asielaanvraag afgewezen zien worden en deze afwijzing was onherroepelijk verklaard. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) had aangekondigd de verstrekkingen aan verzoekster te beëindigen, waarop zij bezwaar maakte en een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter stelde vast dat de beëindiging van verstrekkingen voortvloeit uit de wet en het afwijzend besluit op de asielaanvraag, en dat de brief van het COa geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormt.
Het COa had geen nieuwe beoordeling van verstrekkingen verricht, anders dan in een eerdere vergelijkbare zaak. Verzoekster verbleef al geruime tijd niet meer op een opvanglocatie, waardoor het COa haar niet scherp in beeld had. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar niet-ontvankelijk was en dat het verzoek om voorlopige voorziening niet toewijsbaar was. Tevens was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verzoekster een spoedeisend belang had, mede omdat zij bij haar zus verbleef en medische zorg ook beschikbaar blijft voor ongedocumenteerden.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening moest worden afgewezen en dat er geen aanleiding was tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van verstrekkingen wordt afgewezen wegens ontbreken van een besluit en onvoldoende spoedeisend belang.