ECLI:NL:RBDHA:2022:13113
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wegens ondeugdelijke motivering
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd sinds 1994, werd geconfronteerd met een besluit tot intrekking van zijn vergunning vanwege vermeende verplaatsing van zijn hoofdverblijf buiten Nederland. Verweerder baseerde dit op de uitschrijving van eiser uit de Basisregistratie Personen (BRP) en het ontbreken van objectieve bewijsstukken dat eiser in Nederland verbleef.
Eiser betwistte dit en overhandigde meerdere bewijsstukken waaruit blijkt dat hij ondanks zijn uitschrijving in Nederland verbleef, deels bij zijn moeder en deels in een daklozenopvang. De rechtbank oordeelde dat eiser gezien zijn persoonlijke omstandigheden niet meer bewijs kon overleggen en dat de bewijslast daarom naar verweerder moest worden omgedraaid.
De rechtbank concludeerde dat verweerder niet alle relevante feiten had meegewogen en het besluit onvoldoende had gemotiveerd. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.