De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader om de terugkeer van zijn vier kinderen naar Oman te gelasten, op grond van internationale kinderontvoeringsregels en de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. Hoewel Oman geen partij is bij het Haagse Verdrag, past de rechtbank de regels daarvan analoog toe. De kinderen verbleven sinds 13 augustus 2022 in Nederland, terwijl de vader geen toestemming gaf voor een langer verblijf.
De moeder voerde verweer met diverse weigeringsgronden, waaronder het ontbreken van toestemming van de vader en het risico op lichamelijk of geestelijk gevaar bij terugkeer. De rechtbank oordeelde dat de moeder onvoldoende bewijs leverde voor toestemming van de vader voor het verblijf na 12 augustus 2022 en dat de gestelde risico’s in Oman niet aannemelijk waren gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar Oman moet plaatsvinden uiterlijk 24 november 2022, waarbij de moeder de kinderen dient terug te brengen of, bij nalaten, af te geven aan de vader met geldige reisdocumenten. De kostenveroordeling werden afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. De bijzondere curator blijft betrokken bij de oudste drie kinderen tot één maand na deze beschikking of zolang hoger beroep loopt.